Ik liet m’n laatste tatoeage zetten. Een omega-symbooltje op m’n gezicht, m’n jukbeen. Het moest. Ik wist dat het moest.

Toen ik een tiener was, en inkt op mijn armen wilde, zeiden ze: doe het niet. Maar ik wist dat ik het toch ging doen. In die tijd was het anders; tatoeages op onderarmen werden nog gezien als extreem. Je krijgt nooit een baan, zeiden ze. Maar ik wilde ook geen baan. Ik was een zanger in een punkrockbandje, zat niet lekker in een klaslokaal en had geen talent. Ook geen talent voor zingen, maar dat maakte met punk niet uit. Dat ik mezelf met tatoeages buiten de maatschappij zou plaatsen, zoals me dreigend werd voorgehouden, was juist een reden om ze te nemen.

Bovendien gaven ze me een identiteit. Daar snakte ik naar. Ik voelde me doorzichtig, alsof je zo door me heen kon kijken, ik niets was. De tatoeages gaven me een vorm, een harnas. Althans, dat was het idee, dat ik me er sterker door zou voelen, zelfverzekerd zou worden door het ontzag van anderen en het ontzag dat ik, als ik in de spiegel keek, voor mezelf had.

Dat ontzag had ik evengoed voor anderen met extreme tatoeages. Types uit die punkwereld. Het fatalisme dat die lui uitstraalden; de kracht die gepaard ging, in mijn ogen, met een totale overgave aan hun eigen pad, met een middelvinger opgestoken naar iedereen die iets van je verwachtte. Types als Richard Bruinen, beter bekend als Richie Backfire, met zijn twee meter lange, vol-getatoeëerde lichaam, die voor niets of niemand bang was. Victim in pain, stond er heel groot op zijn buik, een referentie aan een legendarische punkband maar evengoed een uiting van een innerlijke oorlog. Als ik me liet tatoeëren zou ik worden als hij, hoopte ik. Net zo onbevreesd, net zo toegewijd, en dat ik me in een wereld buiten de maatschappij net zo thuis zou voelen als hij. Later zou hij zichzelf in een verlaten bos door het hoofd schieten.

Maar natuurlijk werkte het niet. Natuurlijk gaven die tatoeages me niet het fundament dat ik nodig had. Ik was nog steeds dezelfde. Dus nam ik er nog eentje, en nog eentje, maar het bange jongetje daarbinnen ging niet weg. Dat jongetje is er nog steeds, al is er wel een iets taaiere, op momenten misschien zelfs cynische man omheen gegroeid.

Ondertussen werd het een trend, de tatoeage. In het straatbeeld werd inkt op onderarmen steeds normaler. David Beckham, voetballer en sekssymbool, was de gangmaker. Vele voetballers volgden, en daarmee, of onder andere daarmee, begon de verburgerlijking van de tatoeage. Je ziet nu haast niemand meer zonder. (Ik ben dat inmiddels ‘het nieuwe getatoeëerd zijn’ gaan noemen: helemaal géén tatoeages hebben, omdat dat anno nu eigenlijk veel stoerder is.)

Dus liet ik, in een poging om de trend voor te blijven, m’n handen doen. En m’n nek. Ook ging ik er steeds laconieker mee om; het ging me allang niet meer om een perfect ontwerp; het was me simpelweg om inkt te doen, liever juist slordig en achteloos. Ik koos gewoon iets van de wand van de tatoeëerder in de buurt. Toch nog een béétje punk.

Maar uiteraard zie je ook dát steeds meer: tatoeages in nek en op handen. Het gezicht is dus de final frontier. Zo bekeken zat dit er altijd al aan te komen, wat ik nu gedaan heb. En ik kan er eerlijk gezegd ook wel van genieten, van dat zinloze fatalisme. Ik kan lachen om mijn kinderachtige beweegredenen. (‘Alles voelt futiel,’ is de openingszin van Marja Pruis in de Groene deze week. Daar moet ik nu aan denken.)

Maar nu is het klaar met die tatoeages. Al vijfentwintig jaar hoor ik dat machientje zoemen. Nog nooit hoorde ik het zo dichtbij als afgelopen woensdag, vlakbij mijn oor, de vingers van de tatoeëerder teder op mijn wangen en gesloten ogen. Het was een afscheid. Tot ziens, zei dat machientje.

Nu heb ik rust. Althans, wat dit betreft.

 


Abonneer je gerust op deze stukjes. Je krijgt ze dan per mail. Het is gratis en je doet het hier. Mijn nieuwe roman, Ernest Hemingway is gecanceld, verschijnt op 15 december.