Als het zonnetje verschijnt komt steevast de zingende en fluitende man naar buiten. Ik weet niet precies in welke achtertuin, ik denk twee of drie naar links en aan de andere kant van het achteromgangetje. Het is als een natuurfenomeen, zoals bij regen massaal de slakken verschijnen om van mijn planten te vreten.

De man draait voornamelijk Nederlandstalige volksmuziek. Hij zingt mee, maar vermoedelijk kent hij de meeste teksten niet, want iedere lettergreep is bij hem een ‘La’. Alleen de eerste lettergreep niet, want dat is een ‘Ja’. Dus het gaat: ‘Jalalalalalala.’ En niet zelden is de laatste lettergreep een ‘Lai.’ Dus dan krijg je: ‘Jalalalalalai!’ Als er even geen tekst is fluit hij mee met de melodie. (Sommige refreinen kent hij overigens wél, zoals ‘Alice, Alice, who the fuck is Alice?!’)

De man zingt en fluit hard en onbeschaamd. Iedereen met een achtertuin in ons huizenblok kan hem luid en duidelijk horen.

Soms vind ik het grappig. Mijn zoontjes en ik imiteren hem zelfs wel eens terwijl hij bezig is. Dan zingen we met z’n drieën – of met de man erbij met z’n vieren – ‘Jalalalalalaiii.’ Als de man dat al hoort dan doet het hem niets. Het maakt hem niet zelfbewust. Ik denk dat niets deze man zelfbewust maakt. Laat staan dat hij gêne kent.

Maar vaak vind ik het níét grappig. Het zonnetje verschijnt, ik loop met een boek en een kop thee mijn tuin in, staar een beetje naar mijn planten en probeer te ontspannen. En dan begint het weer. Lezen gaat niet en ook mijn planten verliezen hun transcendente werking; het is gewoon saai groen. Ik luister naar de man en stel me voor wat hij staat te doen.

Want wat dóét hij? Je kunt niet zo zingen en er de krant bij lezen of op de computer werken. Het zou te veel afleiden. Je zingt alleen zo als je er een simpel taakje bij doet, zoals vegen, snoeien of opruimen. Maar zo vaak en veel als deze man zingt, zoveel kan er nooit te vegen, snoeien of op te ruimen zijn.

Dus wat dóét hij? Staat hij gewoon middenin zijn tuin te zingen? Ligt hij op een bedje? Is het een doel op zich? Wie doet zoiets? Iedere keer zie ik hem in gedachten iets anders doen. Sowieso heeft hij altijd een blote bast en een flinke, glimmende buik; zijn volle stem verraadt een fors lichaam. Soms staat hij zich in te zepen in een gietijzeren bad. Soms epileert hij zijn beenhaar. Soms masseert hij zijn vrouw. Soms verft hij modelvliegtuigjes. Soms graaft hij kuilen waarin hij de kinderen begraaft die hij heeft ontvoerd en vermoord in de bosjes langs provinciale wegen.

Af en toe, als ik me zo zit op te vreten, neem ik me voor om bij hem aan te bellen. Niet eens om te klagen, want ergens denk ik ook: laat die man lekker vrolijk zingen in zijn achtertuin – er zijn ook nog mensen die zich níét alleen maar neurotisch overal aan ergeren; ik ben niet de maat der dingen – maar om bij hem koffie te drinken en te wachten tot hij begint. Misschien zingt hij al wanneer hij koffie in de filter schept. Misschien nadat hij me heeft vermoord en mijn kuil staat te graven. 


Deze stukjes per mail? Klik hier. Mijn meest recente boek heet Berichten uit het tussenhuisje.