Overdag zul je het aan mijn stadstuin niet zien. Ze staan er allemaal mooi bij: de varens, de hibiscus, de wolfsmelk, de witte bes, de kleine eik, de stokroos. Iedere plant een andere tint groen dan de anderen, een zacht en levend palet dat ademt en schittert in de zon. Ook zou je geen idee hebben wanneer je mij, zo rond een uur of acht, ziet sproeien. Gisteren draaide ik tegelijkertijd Van Morrison. Ik zong mee. Het moet er gemoedelijk uit hebben gezien. Je zou niets hebben vermoed.

Maar dan, als het donker is, voordat ik naar bed ga, loop ik opnieuw de tuin in. Mijn houding is anders: licht gespannen, geconcentreerd. Ik heb een zaklamp en een emmertje. Er staat geen muziek op. Ik ben een stiekeme sluiper, alsof ik niet wil dat ik door mezelf word betrapt.

In het witte LED-licht van de zaklamp doemen ze op. De slakken. Ik schrik, ook al gaat het me om hen, ook al ben ik naar ze op zoek. Ze zijn met zoveel dat het – zeker in het donker – eerder hun wereld lijkt dan de mijne. Kleintjes en grote, naakte en behuisde. De slakken die ik als eerste zie begeven zich nog op de tegels en hebben elkaar opgezocht, alsof betrokken bij een soort seance. Anderen bewegen zich solitair voorwaarts, richting mijn planten. En richt ik mijn zaklamp op de planten, dan zie ik er nog veel meer, hun slijmsporen glinsterend op de bladeren. Ik verman me.

Toen ik me voor het eerst van het probleem gewaar werd was ik nog vriendelijk. Ik zag alleen de paar slakken die ’s ochtends nog niet naar hun schuilplaatsen waren vertrokken, dus ik dacht dat het wel meeviel. Ik pakte ze en zette ze uit in het achteromgangetje. ‘Ze komen meteen weer terug,’ zei mijn moeder al. Ik was nog onschuldig toen, ik was een ander mens. Maar toen scheen ik dus een keer in het donker met die zaklamp. Tientallen, misschien wel honderd zag ik er. Al mijn planten waren aangevreten. Van mijn rode kool is inmiddels amper nog iets over.

Massamoord: je weet pas dat je het in je hebt wanneer je er al mee bezig bent. De aarzeling en het geweten mogen geen kans krijgen; rücksichtslos is de enige manier. Dus ik pak iedere slak die ik zie en werp hem in het emmertje. Baby’s en papa’s en mama’s. Mijn vingers kleven van het slijm, maar ik negeer de walging. Muggen steken me, motjes fladderen in de lichtbundel, spinnen rennen weg, maar kleinzerigheid heeft hier geen plaats. Ik ben een demoon in de nacht, ik besta uit duisternis. Als ik geen slakken meer kan vinden loop ik met het emmertje de keuken in, waar de waterkoker al heeft staan borrelen. En dan is er dat moment. Die seconde waarin je niet mag aarzelen, omdat in aarzeling het geweten leeft. 

In bed krab ik aan de verse muggenbulten. Buiten hoor ik geritsel van voeten. Het klinkt dichtbij. Het moet wel in mijn tuin zijn. Ik weet wie daar is. Ik weet wie daar sluipt.


Je abonneren op deze stukjes kan hier. Mijn nieuwe boek heet Berichten uit het tussenhuisje.