Omdat ze vandaag jarig is dacht ik terug aan de online gesprekken die ik ongeveer drie jaar geleden met een meisje op Twitter voerde. (Waarschijnlijk moet ik haar nu geen meisje meer noemen.) Ik had haar nog nooit ontmoet, we stuurden elkaar privé-berichtjes. Het was toen ook lente, althans dat herinner ik me zo. In ieder geval weet ik dat de zon scheen als ik middenin zo’n gesprek ineens mijn laptop of telefoon verliet en op mijn fiets sprong om keihard te gaan fietsen. Ik had dan zo veel vlinders in mijn buik, voelde zo veel elektriciteit in mijn lijf, dat ik móést bewegen en alles eruit moest trappen. Verliefd fietsen. Het is een fijne herinnering, zeker omdat er in die periode nog niets was dat ons naar beneden trok.

Die stuwende kracht, die energie die ik voelde op de fiets, was als een waterstroom, een bruisende levensrivier. Je bent je op zulke momenten gewaar van een kracht die je leven in een stroomversnelling stort, en je weet dat je heel ergens anders zult uitkomen. In verliefdheid schuilt natuurlijk de drang van de schepping, van de biologie, evolutie, voortplanting. Dat zit allemaal in die stuwende, formidabele kracht.

Omdat ik hierover nadacht dacht ik ook terug aan afgelopen nacht, toen mijn jongste zoon me riep vanuit zijn bed. Hij maakte zich zorgen over de dood; het is zo’n klassiek moment dat je af en toe hebt met een jong kind. Hij wist niet wat hij zonder ons moest, zei hij, doelend op zijn moeder en mij. Want hij hield zo veel van ons. Ik zat op de rand van zijn bed en praatte met hem over wat hierna komt, dat we dat niet weten, en dat als wij doodgaan hij al zeker vijftig is, en dat als hij daarna ook doodgaat we weer één worden. Dat zei ik ongeveer zo: ik denk dat al onze liefde, van alle mensen van wie we houden en die van ons houden, samenkomt en samensmelt en één wordt. ‘Dat hoop ik niet,’ zei hij. ‘Want dan worden we dus een soort smurrie.’ Waarop we moesten lachen, daar in het donker van zijn kamer, waarvan hij het behang op de muur naast zijn bed steeds verder afpelt: een grote witte wolk.

Leven en dood, liefde en verdriet. Ik denk dan toch weer—ja, sorry—aan de kraai en de walnoot. De zwarte kraai die vanuit de lucht een walnoot in mijn tuin wierp, waarna er een boompje uit groeide. Ik denk daar iedere dag aan. Het boompje wordt ook iedere dag groter. (‘Wauw,’ riep datzelfde zoontje toen hij de tuin moest sproeien van me, en het boompje zag.) 

Van zo’n rivier, op het moment dat je er verliefd door wordt meegevoerd, verwacht je overigens dat hij je naar een mooie plek zal brengen. Het fladderen van de vlinders in je buik is hoopvol. Dat je proestend kunt komen vast te zitten in de modderige boomwortels die uit de oevers steken, dat zie je niet voor je. En dat dan de grijnzende kraai overvliegt. Crow grinned, crying: ‘This is my Creation.’ Flying the black flag of himself. (Ted Hughes.)

 


Wees niet flauw en abonneer je gratis op deze stukjes. 

PS Ik heb allang geen Twitter meer, dus probeer me daar vooral niet te zoeken. Ook geen Facebook meer trouwens. Alleen nog maar Instagram.