Ik stapte de deur uit, op een mooie dag, toen ik mijn buurman op een ladder zag staan. Hij stond het stukje muur en het afdakje boven zijn voordeur te poetsen, witgeverfd, precies als bij mijn huis. We groetten elkaar. Ik keek naar mijn afdakje en mijn muur. Er zaten zwarte vegen op en er kleefden veel oude spinnenwebben aan. ‘Dat moet ik ook eens doen,’ zei ik.

Hij knikte. ‘Het werd tijd. Ik ben echt alles aan het poetsen. Iedere plank, ieder hoekje. Het was echt nodig.’

Het was echt nodig. Die woorden haakten zich in me vast. Ik stond op het zompige bladerdek van mijn ruiende hazelaar en keek naar mijn dakpannen, die veel smeriger waren dan die van hem, en veel smeriger dan die van de buren aan de andere kant, eigenlijk dan die van de hele straat. Mijn dak is een zwarte kolom in een rode rij. Ze hebben de pannen een keer met z’n allen laten vervangen, omdat dat goedkoper was, en toch deed ik niet mee. Ook dacht ik aan de gammele kraan en het vermolmde keukenblad waarin hij steeds losser komt te zitten. Ik keek naar het perfect gesnoeide en betegelde voortuintje van mijn buurman en voelde paniek opkomen. Ik had ineens jeuk, alsof ik niet had gedoucht. Alles viel uit elkaar, alles was aan het verrotten.

‘Ik moet het binnenkort ook doen,’ zei ik. ‘Er echt een dag er voor nemen.’ Hij knikte. ‘Zeker, je moet er echt een dag voor nemen, of twee.’ Enthousiast beaamde ik dat, alsof ik er ervaring mee had. Heel even kon ik doen alsof we tot dezelfde soort behoorden, hij en ik. 

Ik fietste de straat uit, de moed in mijn schoenen, en dacht aan de passage die ik had gelezen in een essaybundel van Alan Watts. Hij vergeleek de mens met Shiva, als een godheid met ontelbaar veel armen, maar alleen als we onszelf niet reduceren tot het ego, tot de piloot waarvan we denken dat die de boel aanstuurt, die zogenaamd de controle zou hebben. Die overtuiging zal ons slechts frustreren en leiden tot teleurstellingen/ haat/ woede/ etc. Maar als je beseft dat je ook je hart bent, en je teennagels, en je darmen, dan doe je krankzinnig veel dingen tegelijk; je laat je haar groeien, je verteert je eten, je pompt je bloed rond, je deelt je cellen, je vecht tegen virussen, etc. Om nog maar te zwijgen van de complete wereld die opdoemt in het bewustzijn, en die jij dus in feite creëert, uit het niets. Moest ik dan echt óók nog het afdakje boven mijn voordeur poetsen?

Die gedachte hielp maar even. Was ik maar meer als die buurman. Je kunt nu roepen: ‘Doe dat dan! Ben dan zo!’ Maar dan moet je die piloot hebben, die ik nu heel duidelijk in mijn cockpit kan zien zitten. Hij knikt enthousiast en steekt zijn duim op. ‘Gaan we doen!’ roept hij. Maar ik zie ook de grijns en de knipoog.


Een abonnement met extra’s of een donatie doen? Klik hier