Twee Indische mannen van middelbare leeftijd praten in de kleedkamer van de sportschool. Ze hebben het over de recente aardbevingen aldaar. De chaos en de ellende. Ze hebben er familie. Ze praten kalm terwijl ze zich aankleden, hun haar nat van het douchen.

De ene man vertrekt dan. De andere zit op het bankje en trekt zijn schoenen aan. Hij praat nog. Het gesprek heeft zich – ik weet niet precies hoe – verplaatst naar mij en een andere, witte man. En ineens – ik weet wederom niet precies hoe – gaat het over moslims en christenen.

De Indische man is een christen, vertelt hij. Een minderheid in Indonesië. (Leden van zijn familie zijn een minderheid, althans, want zelf is hij hier geboren.) Maar nu het land opgeruimd moet worden, heropgebouwd moet worden, nu er dingen georganiseerd en geregeld moeten worden, nu er hard moet worden gewerkt, morgen de christenen dat natuurlijk weer opknappen. ‘Nu hebben ze ons nodig.’ Een wijsvinger begeleidt zijn linkerhiel de glanzende, leren schoen in. ‘Maar zodra wij de boel hebben opgelapt zijn ze weer klaar met ons en worden we opgejaagd en verdreven of vermoord.’ Hij weet dit omdat het hem is verteld door familieleden. 

Ik had deze wending niet zien aankomen en ik knik alsof ik het begrijp. Hij trekt zijn tweede schoen aan. De witte man zegt dingen als ‘Het is niet normaal’ en ‘Daar dus ook al’. De twee lijken elkaar te hebben gevonden. Ik ben aangekleed en heb mijn jas al aan. Ik geloof niet dat ik iets aan het gesprek heb toe te voegen, dus ik zeg ‘Houdoe’ en verlaat de kleedkamer. Achter me hoor ik twee keer ‘Houdoe’ terug. Ik ben net op tijd weg, denk ik; net voor het waarlijk akelige gedeelte van het gesprek begint.

Op de fiets naar huis mijmer ik een beetje. De mijmering vormt zich niet echt tot een sterke mening of duidelijke emotie. Het is allemaal een beetje vloeibaar en verwarrend, maar ook doornig en oncomfortabel. En ik heb steeds een beeld voor ogen van een groepje mensen dat een verwoest land opbouwt. Het zijn de christenen. Zwetend sjouwen ze met gruzelementen, vermoeid metselenen ze nieuwe muurtjes. Aan de zijlijn wachten de moslims tot de christenen klaar zijn, het zonlicht valt op hun getrokken zwaarden. Ik vraag me af of de man in de kleedkamer zoiets bedoelde. Of hij voor zich zag wat ik nu zie. 


Als je echt per se een abonnement op deze stukjes wilt nemen dan kan dat hier.