Twintig minuten overstaptijd op Amsterdam Amstel. Ik drink een kartonnen beker thee op zo’n rood bankje in de centrale hal, wit en flets verlicht, omringd door ketenwinkels. Het is twee uur ’s middags, mensen staan in de rij voor een whoppermenu van de Burger King. Een komen en gaan van mensen, ik vang flarden van hun zinnen op, soms in een taal die ik niet ken; wanneer ze buiten mijn gehoor zijn had ik hen gedroomd kunnen hebben, en in die droom zijn ze inwisselbaar; hun stem is die van één diffuus wezen.

Het is slechts twintig minuten, maar als je je telefoon in je zak laat zitten, als je alleen maar kijkt en luistert, dan is de tijd een zee waarin je eindeloos kunt zwemmen zonder ooit dichterbij een horizon te komen.

Op een identiek rood bankje tegenover me zit een vrouw van in de vijftig te werken op een laptop. De laptop staat bij haar op schoot. Ze typt en fronst naar het scherm, haar nek en kin verscholen achter een sjaal, haar jas net iets te groot. Ze zit gekromd, haar schouders zijn opgetrokken.

Omdat ze zo zit kan ik haar kruin en grijze uitgroei zien, zeker een centimeter of drie. Ik kan het niet aanzien. De rest van haar haar is roodbruin. Dat is de kleur die ze wil. Zo ziet ze zichzelf, ze is een vrouw met roodbruin haar. Maar het grijs, de ouderdom, het verval, blijft maar komen, blijft maar uit haar stromen. De zelfmodificatie houdt geen stand. Maar ze heeft het druk, ze werkt, ze is moe. Wat verschrikkelijk, en tragisch, om iedere millimeter grijs meteen opnieuw te moeten bestrijden. Ik ben ineens doodmoe.

Thuis, straks, kijkt ze misschien in de spiegel. Ze ziet zichzelf, ze ziet de vrouw die ze kent. Haar kruin ziet ze niet. Misschien is er niemand die tegen haar kan zeggen dat aan de achterkant van haar hoofd iets te zien is wat niet gezien mag worden, wat verborgen had moeten blijven. Misschien stond er weken geleden in haar agenda: ‘Kapper!’, en heeft ze daar toen overheen gelezen, vanwege alle afspraken die eromheen stonden, het werk dat eerst af moest.

Misschien ziet ze zichzelf volgende week op de foto van een personeelsuitje. Haar rug naar de camera. En ziet ze die uitgroei. En zakt de moed haar in haar schoenen. De moeite die het kost om jezelf bij elkaar te houden, om te voldoen, om simpelweg te voldoen.

Achter haar gaat een jongen aan de openbare piano zitten. Hij kijkt op zijn telefoon, typt iets, stopt de telefoon weg en begint te spelen. De noten zijn als een fluistering; niemand lijkt hem te horen. Een paar seconden, hooguit een minuut, en dan stopt hij. Opnieuw kijkt hij op zijn telefoon en loopt dan weg. Ik hoor de piano nog. Ik weiger de noten los te laten. Als ik de noten nu loslaat dan overleef ik het niet.


Ik schrijf deze stukjes zonder opdrachtgever. Als je wilt kun je me HIER steunen. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.