Mijn alleenstaande vader, woonachtig te Rotterdam, had boodschappen gedaan en liep de supermarkt uit. Er liepen twee mensen voor hem, dus hij hield afstand. De mensen, een stel, ook al wat ouder, liepen traag en zagen er ook niet uit alsof ze heel veel sneller konden—niet heel atletisch zeg maar—en ook waren hun hoofden naar voren gebogen. Mijn vader liep dichtbij genoeg om hen te kunnen horen. Ze waren aan het bidden. ‘Oh heer, sta ons bij, wees met ons,’ etc.

Mijn vader vond het een aandoenlijk schouwspel, en ook al is hij niet gelovig, hij is wel al zevenenzestig, dus de vrees voor het virus is ook hem niet vreemd. Hij voelde zich ineens sterk met hen verbonden.

Maar wel waren ze hem nu toch echt wat te traag. Dus haalde hij ze in, uiteraard met een boog van anderhalve meter. En hij kon het niet laten, hij moest even contact met hen maken: ‘Zo,’ zei hij. ‘Aan het bidden?’

De twee keken naar hem op. ‘Jazeker,’ zei de man. ‘We bidden voor een flink bedrag.’

Pas toen zag mijn vader waarom hun hoofden zo naar voren hadden gehangen. Ze hadden krasloten.


Abonneer je hier gratis op deze stukjes.