Om dit laatste vakantiestukje te kunnen schrijven ben ik al drie keer ergens anders gaan zitten. Op de eerste plek was het te heet, op de tweede plek hoorde ik de muziek van het zwembad te goed, en nu zit ik vakbij twee jongetjes die de bottle flip doen. Dit hotel is een mooie metafoor voor het leven: er bestaat geen plek waar het beter is.

Wel een plek waar het érger is. Gisteren was onze laatste hele dag, dus nam ik de jongens mee naar Aquatasia, een glijbaanparadijs waar bij binnenkomst onze tas werd gecontroleerd op eigen eten of drinken. En natuurlijk was er luide muziek. De Turken zijn ervan overtuigd dat toeristen dat willen, overal luide muziek, het liefst van Drake. Misschien is dat ook zo.

Ik had beloofd om van vijf glijbanen af te gaan. De rest van de tijd lag ik met Portnoy’s Complaint op een bedje in de schaduw, zo ver mogelijk bij Drake vandaan. Halverwege een monsterlijke rij voor de langste en snelste glijbaan zag ik iemand voordringen. Een Turkse Duitser, zoals bijna alle mannen hier. Ik stuurde hem terug naar het einde van de rij, waarop hij begon te protesteren. Ik versta je niet, gebaarde ik steeds. ‘Speak English,’ zei ik herhaaldelijk. ‘Du verstehst mich,’ antwoordde hij. Mijn cortisolniveau was al hoog (want drukte, want Drake), en wellicht dat van hem ook. We staarden elkaar aan, mijn lichaam bereidde zich voor op een fysiek conflict, een paar tellen waarin het had kunnen escaleren, twee bokken op het moment vlak voor de geweien elkaar raken, tussen de kinderen, halverwege de trap naar een glijbaan. ‘Wat is er, papa?’ vroeg m’n oudste steeds, een beetje in paniek. De man en ik lieten elkaars blik los. Niemand verloren, niemands eer geschaad.

Gewaarwording: ik ben officieel te oud geworden voor de echt snelle glijbanen. Mijn rationele brein loopt hopeloos achter op het instinctieve systeem. Het is niet eens angst, het is pure chaos. En dan die plotse, ruwe onderdompeling als de buis me uitbraakt; geen idee welke kant ik op moet zwemmen, geen idee of mijn leven, daarboven, wel echt is, en of ikzelf wel echt ben. Dan proestend bovenkomen, herboren, opnieuw het lijden en het liefhebben in.

Vanaf mijn bedje zag ik twee jongens van het personeel met een grote, gekortwiekte papegaai rondlopen. De ene jongen plaatste het dier op de arm van een kind, de andere maakte een foto, te koop voor tien euro bij de uitgang.

’s Avonds aten we vis aan zee. Mijn zeebaars was niet gekortwiekt, maar gewoon gevangen, doodgemaakt en gebakken. De vraag is niet óf je wordt vernederd, de vraag is in welke mate. Dat ik halverwege de maaltijd moest stoppen met eten omdat er tien à twaalf hysterische wespen op mijn bord zaten, dat accepteerde ik dan ook zonder morren.


Je gratis abonneren op deze stukjes kan hierrrrrrr.