hij sloapt

Zoals iedere woensdagmiddag tussen 15:45 en 16:45 zit ik te wachten in het dorpshuis van Veldhoven, waar mijn jongste zoontje toneelles heeft. Ik zit in een lege kamer met stoelen en een tafel. Het was koud, dus ik zette de verwarming aan, en nu is het warm. Ik probeer te lezen, maar het boek, Pond van Claire-Louise Bennet, maakt me slaperig. Het is gemijmer, eindeloos, zonder spanningsboog. Vast heel goed gedaan (want internationaal bejubeld), maar ik kan me niet committeren. Ze schrijft over koffie en bananen en muffins. Heel gevat, dat wel. Misschien te gevat. Iedere keer dat ik die woorden lees – coffee, banana, oatcakes – worden mijn oogleden zwaarder. De woensdag is een pittige dag; mijn jongens komen om 12:30 uit school en vanaf dan is het chaos.

Ik zit nog in mijn jas. Het boek ligt op mijn knieën. Ik blijf rechtzitten en sluit mijn ogen. Het is niet dat ik wil slapen; ik wil gewoon even als een boom in de storm staan; het om me heen voelen waaien en razen maar er zelf niet in meegaan. Ondanks mijn voornemen worden de gedachten al snel stroperig en abstract, en begeef ik me op de grens van dromen.

Dan hoor ik hun stemmen op de gang. Een stel senioren. Ze komen uit de ruimte met biljart, sjoel, bridge en klaverjassen. Het is het geroezemoes van mensen op weg naar buiten, naar huis. Ze staan te keuvelen voor de open deur van de kamer waar ik zit. Toch hou ik mijn ogen dicht en blijf ik zo zitten.

‘Sloapt hij?’

‘Die sloapt nie.’

‘Vugges mij wel hoor.’

‘Die sloapt nie, Jaques. Die mediteert.’

‘Denkte?’

‘Ja, die mediteert.’

‘Denkte echt? Ik denk dàh die gewôn sloapt.’

Het is gek, want de man die zegt dat ik mediteer heeft waarschijnlijk gelijk. Ik hoor hun woorden en voel fysiek dat het over mij gaat. Ineens zijn de abstractie en het diffuse bewustzijn verdwenen en is het alsof er in mij iets massief en heet is geworden. Het voelt zich aangesproken en het maakt zich klaar om te handelen of reageren. Ineens is er iets dat zich kan schamen, dat zich een beetje opgelaten voelt, dat zich denkt te moeten verantwoorden: ‘Ja, haha, ik ben moe,’ of iets dergelijks. Wat is dat in mij? Wat zit daar? Wie is dat? Ben ik dat? Want als ik zo blijf zitten, met mijn ogen dicht, en niet handel, dan kan ik die identiteit observeren als een autonome entiteit in mijn binnenste. En als ik die entiteit kan observeren, dan bén ik die entiteit dus niet. Et voilà: de essentie van meditatie.

Als de senioren het pand hebben verlaten probeer ik de droomwereld weer te vinden. Mezelf weer kwijt te raken. Maar het gaat niet. Ik heb weer vorm gekregen.


Leuk als je je wilt abonneren of een donatie wilt doen! Dat kan hier. Mijn meest recente boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.

slot

Haastig gingen mijn jongste en ik zondagochtend het huis uit. Toen ik achter me de voordeur op slot wilde draaien lukte dat niet. Er was iets met het slot. Ook kon ik niet meer naar binnen. ‘Heb jij iets met het slot gedaan?’ vroeg ik, en hoorde hoe stom dat klonk. ‘Nee,’ zei mijn jongste defensief, omdat hij vaker door me beschuldigd wordt, soms terecht, vaak onterecht.

Ik bracht hem naar zijn moeder en belde de slotenmaker om te vragen of ze wilden langskomen. Alleen al om mijn huis binnen te komen bracht hij vijftig euro in rekening, want het was zondagmiddag.

Mijn ex stuurde een appje. Mijn jongste had tóch iets in het slot gestoken. Of ik met hem wilde bellen en niet boos wilde worden, svp. Ik kreeg hem huilend aan de telefoon. Het was goed dat er die ruimte tussen ons was. ‘Het is oké hoor,’ zei ik. ‘Kinderen doen dat soort dingen soms.’ Maar toch kon ik het niet laten: ‘Papa moet wel echt heel veel geld betalen nu.’ Niet ‘ik’, maar ‘papa’. De manieren waarop een ouder zijn kind met schuldgevoel opzadelt zijn eindeloos.

De slotenmaker liet me een naald zien. Een naald van een naald en draad. Het was heel knap hoe mijn zoon die helemaal in het slot had gekregen, zei hij. Een carrière als inbreker lag in het verschiet.

Een vriend van me trapte als kind in de kippenren van zijn ouders een hele reeks kuikentjes dood. Daar pesten we hem nog steeds mee. Maar goed, ook hij functioneert als volwassene redelijk.

De rest van de dag werkte ik aan de vierde versie van Berichten uit het tussenhuisje. Buiten sneeuwde het. Mijn ex stuurde foto’s van het bos, waar zij en onze zoons heerlijk aan het wandelen waren. Ze leken zo vrolijk, en even dacht ik dat het kwam omdat ik er niet bij was en dus niet met mijn nukkigheid hun plezier kon bederven.

Ik keek uit het raam en probeerde te werken. Oscar stond rechtop tegen het glas van zijn terrarium, alsof hij iets naar me wilde roepen. ‘Ga naar buiten, zieligerd!’ misschien. Of: ‘Wees een betere vader!’ Of: ‘Stop toch met schrijven, niemand leest nog boeken!’ Of misschien maakte ik er te veel van. Misschien riep hij slechts: ‘Mag ik niet een keer iets anders dan sprinkhanen en krekels?’


Me steunen met een donatie of een plus-abonnement kan hier. Mijn meest recente boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.

amstel

Twintig minuten overstaptijd op Amsterdam Amstel. Ik drink een kartonnen beker thee op zo’n rood bankje in de centrale hal, wit en flets verlicht, omringd door ketenwinkels. Het is twee uur ’s middags, mensen staan in de rij voor een whoppermenu van de Burger King. Een komen en gaan van mensen, ik vang flarden van hun zinnen op, soms in een taal die ik niet ken; wanneer ze buiten mijn gehoor zijn had ik hen gedroomd kunnen hebben, en in die droom zijn ze inwisselbaar; hun stem is die van één diffuus wezen.

Het is slechts twintig minuten, maar als je je telefoon in je zak laat zitten, als je alleen maar kijkt en luistert, dan is de tijd een zee waarin je eindeloos kunt zwemmen zonder ooit dichterbij een horizon te komen.

Op een identiek rood bankje tegenover me zit een vrouw van in de vijftig te werken op een laptop. De laptop staat bij haar op schoot. Ze typt en fronst naar het scherm, haar nek en kin verscholen achter een sjaal, haar jas net iets te groot. Ze zit gekromd, haar schouders zijn opgetrokken.

Omdat ze zo zit kan ik haar kruin en grijze uitgroei zien, zeker een centimeter of drie. Ik kan het niet aanzien. De rest van haar haar is roodbruin. Dat is de kleur die ze wil. Zo ziet ze zichzelf, ze is een vrouw met roodbruin haar. Maar het grijs, de ouderdom, het verval, blijft maar komen, blijft maar uit haar stromen. De zelfmodificatie houdt geen stand. Maar ze heeft het druk, ze werkt, ze is moe. Wat verschrikkelijk, en tragisch, om iedere millimeter grijs meteen opnieuw te moeten bestrijden. Ik ben ineens doodmoe.

Thuis, straks, kijkt ze misschien in de spiegel. Ze ziet zichzelf, ze ziet de vrouw die ze kent. Haar kruin ziet ze niet. Misschien is er niemand die tegen haar kan zeggen dat aan de achterkant van haar hoofd iets te zien is wat niet gezien mag worden, wat verborgen had moeten blijven. Misschien stond er weken geleden in haar agenda: ‘Kapper!’, en heeft ze daar toen overheen gelezen, vanwege alle afspraken die eromheen stonden, het werk dat eerst af moest.

Misschien ziet ze zichzelf volgende week op de foto van een personeelsuitje. Haar rug naar de camera. En ziet ze die uitgroei. En zakt de moed haar in haar schoenen. De moeite die het kost om jezelf bij elkaar te houden, om te voldoen, om simpelweg te voldoen.

Achter haar gaat een jongen aan de openbare piano zitten. Hij kijkt op zijn telefoon, typt iets, stopt de telefoon weg en begint te spelen. De noten zijn als een fluistering; niemand lijkt hem te horen. Een paar seconden, hooguit een minuut, en dan stopt hij. Opnieuw kijkt hij op zijn telefoon en loopt dan weg. Ik hoor de piano nog. Ik weiger de noten los te laten. Als ik de noten nu loslaat dan overleef ik het niet.


Ik schrijf deze stukjes zonder opdrachtgever. Als je wilt kun je me HIER steunen. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.

de illusie of de werkelijkheid van de lente

Het is gek met Oscar sinds hij uit de winterslaap is gekomen. De winterslaap zelf was ook gek, want dat duurde maar en dat duurde maar terwijl het buiten hartje zomer was en hartstikke warm in huis. Nu het winter wordt komt hij tevoorschijn. In Australië, zijn land van oorsprong, is het natuurlijk winter als het hier zomer is, en vice versa. De start en het einde van zijn winterslaap zaten dus in zijn kop, als een timer.

De eerste dagen na zijn ontwaking ging hij zitten zonnen met gesloten, genotvolle oogjes. Hij richtte zijn kop op naar de lamp alsof het de lentezon was. Hij voelde de eerste stralen van het seizoen. Eindelijk was de winter voorbij. Lentekriebels overstroomden hem. Het genot kon alleen bestaan door de gratie van de jaargetijden, het contrast ertussen, terwijl in zijn terrarium dus alles al die tijd hetzelfde was gebleven: dezelfde lamp, dezelfde temperatuur, hetzelfde aantal lichturen. Toch moet het voor hem exact zo hebben gevoeld als hoe het voor ons voelt wanneer wij eind februari ineens geraakt worden door dat eerste zonnetje en duizelig worden van die overweldigende mix van nieuwe energie, melancholie, déjà vu, ongrijpbare herinneringen en een warm, onrustig hart.

In eerste instantie lachte ik meewarig toen ik het hem zag doen. Alsof hij dom was omdat hij niet doorhad dat de lente en de winter in zijn terrarium helemaal niet meer bestonden. Maar stel je voor: een reusachtig iemand in het heelal die ons van een afstandje bekijkt – laten we hem geen God noemen – en die ziet hoe wij onze hoofden oprichten naar die eerste lentezon. Diegene zal misschien ook zeggen: ‘Ha, de zon brandde al die tijd al even hard.’ Ook diegene zal misschien meewarig lachen, alsof wat we voelen niet echt is, of onterecht. En ook diegene verdient het om zijn stomme grijns van zijn smoel geslagen te krijgen.


Een abonnement met leuke extra’s? Klik hier. (Ook voor eenmalige donaties.) Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.

de schrijver wordt gevierd in de trein

Een groepje Vlaamse heren aan de andere kant van de stiltecoupé zit te kletsen. Eén man in het bijzonder. Hij heeft ronde brillenglazen met een dik montuur en draagt een bontgekleurd sjaaltje. Ik besluit om mijn irritatie dit keer niet te laten opbouwen maar meteen iets te zeggen. Mijn daadkracht is aanzienlijk, dat merk ik wanneer ik opsta en naar hen toeloop; mijn passen zijn groot, mijn rug is recht, mijn wijsvinger wijst kordaat naar de letters op het raam: stiltecoupé. ‘Dit is een stiltecoupé,’ zeg ik fier. Ik richt me tot de man met het sjaaltje en misschien, heel misschien, staar ik hem net iets te hard aan en misschien, heel misschien, geef ik hem een knipoog.

Vlak voor ik me omdraai en terugloop zie ik de flits van verontwaardiging en geldingsdrang in zijn ogen, en op zijn lippen de aanstalten van een weerwoord.

Wanneer ik weer zit hoor ik hem opnieuw praten. Zachter dan net, maar nu met wroeging in zijn stem. Hij klaagt over me tegen zijn metgezellen. Dat ik dat ook normaal had kunnen zeggen. Het doorpraten is een vorm van protest.

Opnieuw loop ik er direct heen. ‘Blijft u nu gewoon doorpraten?!’

Prangend kijkt hij me aan. ‘Uw toon stond me niet aan.’

Waarop ik kort lach. ‘Ha! Dus omdat u zich beledigd voelt mag u de regels aan uw laars blijven lappen? Dat is nogal kinderachtig, niet?’ Dan wijs ik naar de andere passagiers. ‘Als u wraak wilt nemen op mij, neem dan wraak op mij, maar niet op déze mensen. Zij hebben u niks gedaan. Zij willen slechts rustig een boek of krant kunnen lezen!’

Op dit moment begint iedereen te applaudisseren. De man zwijgt en kijkt gegeneerd naar zijn voeten. Eén of twee mensen gaan staan, dan volgt de rest, en nu is er sprake van een staande ovatie. Nu komt de conducteur binnen met een mooie fles wijn, als klein teken van dank. Nu staan er buiten mensen met vlaggen langs het spoor. Nu knallen er in de lucht vuurpijlen uit elkaar. Nu komt er een vrouw voor me staan. Ze is honderd vrouwen in één: mijn ex, mijn moeder, het meisje waar ik misschien verliefd op ben, ieder meisje dat ik ooit wilde, iedere Hollywood-actrice die ik ooit mooi vond. Ze staat voor me, kijkt me diep in mijn ogen en zegt: ‘Goed gedaan, Henk. Heel goed gedaan. Ik ben trots op je. Je bent geweldig.’

Nu tikt er iemand op m’n schouder. Dat we in Eindhoven zijn. Of ik er hier niet uit moet.


Hier kun je een eenmalige donatie doen of je op deze stukjes abonneren. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.