whitney houston

Omdat ik in de overvolle metro van Madrid het Coronavirus heb opgelopen lig ik al een paar dagen met bolle snotogen en zelfmedelijden (níémand voelde zich ooit zo beroerd) op de bank naar Netflix te staren. Ik dacht dat ik alles al wel zo’n beetje gezien had, maar toen viel mijn bolle snotoog op een documentaire over Whitney Houston.

Can I Be Me? heet de film, een titel die al een hoop weggeeft, want nee, ze zal dat dus wel niet hebben gemogen, zichzelf zijn. Ook gaf het me een schuldgevoel, die titel. Het was alsof Whitney de vraag aan míj stelde. Mag ik mezelf zijn, Henk? Natuurlijk mocht ze van mij zichzelf zijn! Ben in godsnaam jezelf! Maar ik wist natuurlijk dat ze allang dood was, dat ze mij die vraag dus veel te laat had gesteld en dat ik er nu niks meer aan kon doen. Had ze me het eerder gevraagd, toen ze nog leefde, dan was het misschien allemaal heel anders gelopen.

Dus zo begon ik aan die documentaire, ziek en somber. De film stelde bepaald niet teleur, waarmee ik wil zeggen dat al snel bleek dat Whitney inderdaad nooit zichzelf mocht zijn, van haar bazige moeder en verongelijkte vader niet, van haar jaloerse echtgenoot niet, en misschien ook van haar fans en platenlabel niet. Dit bracht haar ertoe troost in cocaïne en andere drugs te zoeken, en zorgde ervoor dat ze langzaam aftakelde en stierf aan een overdosis.

Ik was veel te labiel voor dit alles. Zelf ook weer met medicatie aan het kloten, en aan het snoepen van een doosje oxazepam, en nu dus ook nog door het Coronavirus geveld. Dit alles zorgde voor een melodramatische en bespottelijke maar zeer sterke identificering met Whitney Houston. Ik wilde dat ze zichzélf zou redden, voor zichzelf zou opkomen, van de drugs af zou gaan, haar verantwoordelijkheid zou nemen. Het was alsof mijn eigen leven ervan afhing. Als we het nou eens sámen deden, zij en ik. Onze krachten bundelden, elkaar steunden, hand in hand… Maar ze was al dood, dat vergat ik steeds. Dat krijg je als iemand aldoor levend in beeld komt.

Ik moest ervan huilen, dat mag je best weten. Yes, Whitney, snotterde ik. Yes, you can totally be you! Please just be you, Whitney!

Het mooiste stukje van de film zit helemaal vooraan. Een fragment van een live-optreden. Het is een moment tijdens het zingen van haar grootste hit, I Will Always Love You, vlak voor die beroemde uithaal. Ze wacht er even mee. Ze laat ze een stilte vallen en zet daarmee de complete arena onder stroom. Het is hoe ze dan kijkt, hoe ze exact weet wat ze doet, de totale controle heeft over dat moment, over iedere statisch geladen molecuul: de perfectionering van intuïtie.

Je kunt het aan haar zien. Haar hart is puur, haar liefde is puur, zijzelf is puur. Maar als je zo puur bent, dan zie je het kwade niet, en het kwade komt altijd achter het pure aan.

Gelukkig ben ik láng niet zo puur als Whitney. Dit zal mijn redding zijn. Dit, en het gehele assortiment verkoudheidsproducten van de Etos.

 


Abonneer je gerust op deze stukjes. En wel HIER.

what’s eating the fietsenmaker?

We blijken een tweede fietsenmaker in de buurt te hebben. Voorheen ging ik altijd naar de fietsenmaker hier om de hoek, een tengere man met een brilletje die werkt in een ruimte zonder ramen.

Ik bezocht die plek steevast met tegenzin. Ik voelde me al schuldig als ik nog maar de deur van de achteringang had geopend. Dat moet, door die achteringang, want ik kwam eens door de voordeur binnen, de deur van de winkel, en werd er toen op gewezen dat dit niet de bedoeling was; er werd naar een bordje gewezen; ik had het moeten zien; ik was toch niet blind. Die man gaf me het gevoel dat ik de zoveelste domme burger in een eindeloze stroom was. Die dag is het schuldgevoel begonnen, denk ik.

Iedere keer dat ik er sindsdien naartoe ga zorg ik ervoor dat ik alles goed doe, dat ik een afspraak heb gemaakt en arriveer op het afgesproken tijdstip, en dan denk ik: nu heb ik niks fout gedaan, nu valt me niks kwalijk te nemen; ik kan hier met opgeheven hoofd naar binnen.

Maar iedere keer weet hij me toch weer een schuldgevoel te geven. Als ik binnenkom slaakt hij al een zucht, dus ik heb dan al íéts verkeerd gedaan. Mijn entree was verkeerd. Ik vermoed dat hij neerkijkt op al zijn klanten omdat ze te lui zijn, of te dom, om hun eigen fiets te kunnen repareren. Dat hij van die lui- en domheid afhankelijk is voor zijn inkomen lijkt hij bepaald geen verzachtende omstandigheid te vinden. Het is bijna alsof hij het belachelijk vindt dat je hém vraagt om je fiets te repareren. Alsof hij niets beters te doen heeft, zo kijkt hij erbij.

En naar iedere fiets die ik hem ooit heb gebracht keek hij alsof het de slechtste fiets was die ooit werd gefabriceerd. Hij leverde er commentaar op en gebruikte dan frases als ‘Ja dat krijg je met zo’n tandwiel’ of ‘Het valt me nog mee dat die standaard er niet al veel eerder vanaf is gedonderd’. Waarop ik dus de neiging heb om sorry te zeggen.

Hoe dit allemaal zo gekomen is, dat weet ik niet. Misschien heeft hij de zaak overgenomen van zijn vader en wilde hij eigenlijk operazanger worden. Ik denk dat hij steevast naar The Voice of Holland kijkt en dan iedere kandidaat afzeikt omdat die het lef hebben om te proberen wat hij nooit gedaan heeft. En ook daarover, gek genoeg, voel ík me schuldig.

De nieuwe fietsenmaker is gezellige en opgewekte man. Fietsen repareren lijkt zijn hobby te zijn. Mensen brengen hun fiets naar hem toe – zonder afspraak – en blijven hangen voor een praatje. Gisteren was ik er voor het eerst. Hij bood me koffie aan. ‘Bekske koffie?’

Maar dát vond ik dan weer wat ver gaan. Zo gezellig en sociaal ben ik nou ook weer niet. Ik denk, eerlijk gezegd, dat ik het midden houd tussen hem en die andere fietsenmaker.


Abonneer je HIER op deze gratis stukjes.

l’artiste

Dat je als schrijver ook een artiest moet zijn, dat blijf ik lastig vinden. Sommigen gaat het gemakkelijk af, die lijken het als vanzelfsprekend te beschouwen. Ik vind het ingewikkeld. Nog steeds. Of eigenlijk iedere keer opnieuw. Ik moet me er iedere keer weer opnieuw toe verhouden.

In feite heeft schrijven helemaal niets met optreden te maken. Met voordragen. Je eigen werk oplezen ligt op geen enkele manier in het verlengde van schrijven. Schrijven is creëren, verzinnen, en dan met een reeks symbolen—het alfabet—die verzinsels een plekje geven, een pagina, waar ze worden bewaard voor de toekomst, voor een lezer. Maar als die lezer de verzinsels leest ben jij allang niet meer aan het schrijven.

Voor iemand die de verzinsels tot zich neemt is het anders. Of diegene de verzinsels nou leest of aanhoort, daartussen zit in wezen maar weinig verschil. Dus de tot-zich-nemer zal er wellicht van uitgaan dat er ook voor de schrijver niet veel verschil zit tussen schrijven of voorlezen. Ik denk dat het misverstand hier zijn oorsprong heeft. Een tot-zich-nemer redeneert: of die schrijver het nou opschrijft of voorleest, dat is mij om het even

Maar mij is het zeer zeker níét om het even. Afgelopen zaterdag moest ik voordragen in het Stedelijk Museum van Breda. Vijf keer hetzelfde rondje, iedere keer voor nieuw publiek. Om het uur moest ik weer aan de bak. Een kwartiertje voordragen, me vijfenveertig minuten vervelen, dan weer een kwartiertje voordragen, enz. Ik stond op een blok in de Dongenzaal. De groepen bestonden uit zo’n dertig mensen. Ik droeg iedere keer dezelfde stukjes voor. Het had níéts met schrijven te maken. Ik stond daar niets te verzinnen. Ik stond geluid te maken, en zocht naar een ritme, een klank, een presentatie die succesvol zou zijn. Dat lukte iedere keer een beetje beter. Bij de eerste ronde dacht ik: dit wordt niks, ik wil naar huis. Bij de laatste dacht ik: ik ben een artiest, ik moet veel meer optreden, ik heb hier talent voor.

Iedere keer moet ik het weer opnieuw leren. Opnieuw een houding vinden die comfortabel is. Ik doe het net niet vaak genoeg om geroutineerd te worden; na tien jaar heb ik nog altijd geen automatische piloot tot mijn beschikking.

Mijn vriend Theo zegt wel eens tegen me: ‘Jij zou een stand-up comedian kunnen zijn.’ Dat zegt hij bijvoorbeeld als ik met veel handgebaren klaag over de wereld en hoe die weigert zich aan mijn wensen en behoeften te conformeren. Ik denk wel eens: misschien heeft hij gelijk. Maar dan sta ik weer eens ergens met een boek in mijn handen en ben ik weer van mening dat het belachelijk is. Voordragen überhaupt. En die stukjes zijn al oud, die vind ik zelf al niks meer aan, wat ik vervolgens op de toehoorder projecteer: zij zullen het dan ook wel niks aan vinden.

Ik wil alleen maar zeggen: eigenlijk slaat het nergens op dat iedereen er altijd maar van uitgaat dat schrijvers ook artiesten zijn. Dat ze het van ons verwachten. Het zou andersom moeten zijn. Als een schrijver op een podium stapt en begint voor te dragen, dan zou de reactie moeten zijn: mijn god, wat is die schrijver daar van plan?! 


Abonneer je gratis op deze stukjes: HIER

tennessee, promiscuïteit en liefde

Ik wilde eigenlijk geen stukje schrijven. Had geen idee waarover ik het moest hebben. Bovendien moet ik vandaag mijn belastingaangifte in orde maken. Maar juist daarom ga ik nu tóch een stukje schrijven. Het is mijn laatste toevluchtsoord. Ik mag dit stukje nog schrijven en dan moet ik echt beginnen.

Dus dan maar over Tennessee Williams, de schrijver, vooral bekend om toneelstukken als A Streetcar Named Desire en The Night of the Iguana. Ik lees zijn memoires, simpelweg Memoirs getiteld. In 1975 werden ze gepubliceerd, hij was toen drieënzestig. Het boek veroorzaakte nogal wat commotie en controverse: Williams schreef zonder enige schroom of gêne over de jaren na zijn coming out als homoseksueel. Lang niet alleen daarover, natuurlijk, maar het waren die passages waar puriteins en preuts Amerika flink over viel.

Ik vind het heerlijk. Zijn schaamteloosheid impliceert de rotsvaste overtuiging dat hij niets verkeerd deed, dat hij geleefd heeft zoals hij wilde leven, of beter gezegd: dat zijn leven, net als dat van anderen, zich meanderend en grillig voltrokken heeft. Niettemin valt mijn mond soms open bij de onomwonden anekdotes over zijn promiscuïteit. Zo gaat hij vaak cruisen, wat een term is voor het oppikken van sekspartners. Dat fenomeen neemt soms zulke brutale vormen aan dat hij op een druk plein afstapt op dienstplichtige, in uniform gestoken jongemannen, zelfs zonder te weten of zij ook homoseksueel waren, en zonder blikken of blozen tegen hen zegt dat hij een appartement vlakbij heeft. (Leuk detail: regelmatig nam hij hetero’s mee, die dan toch niet zo hetero bleken te zijn als ze dachten.) Hij schrijft er ook het volgende over: If the first one or two were not to my satisfaction, I would go out for a third. De oorzaak van dit seksuele hedonisme is, volgens hem, het feit dat hij pas vrij laat uit de kast kwam. Hij had, kortom, het één en ander in te halen.

Uiteraard denk ik tijdens het lezen soms aan mijn eigen memoires, vooral die in Tussenhuisje. Ik schrijf over de vele vrouwen die er na mijn scheiding waren. Ik ben ervan beticht daarover op te scheppen; dat het schrijven over die vrouwen impliceerde dat ik er trots op was en ermee wilde pochen. Nu ik Williams lees word ik gesterkt in mijn vermoeden dat jat dat zo simpel niet kunt stellen. Ik wilde een onomwonden beeld schetsen, zoals ook Williams dat doet, zonder iets weg te laten, zodat je als lezer een caleidoscopisch beeld van het, of mijn, of een leven krijgt. Want dat is wat het leven is: caleidoscopisch; iedere keer als je denkt dat je er een definitief beeld van hebt draait de caleidoscoop een slag en vormen alle losse stukjes een nieuw patroon. Het is aan de lezer om er, desgewenst, een oordeel over te vellen. En dat doen ze dus ook. En dat mag ook.

Dat gezegd hebbende: ik ben blij dat ik zo niet meer leef, en dat ook niet meer wil. Het was een cocktail van eenzaamheid, vluchtgedrag en de behoefte aan bevestiging die me ertoe dreef. En libido, natuurlijk. Maar libido is er altijd; het is pas wanneer er andere factoren meespelen dat het libido ongecontroleerd zijn gang kan gaan. Het duurde even voor ik dat doorhad.

Ook Tennessee Williams reflecteert hierop: I wonder, sometimes, how much of the cruising was for the sport of pursuit and how much was actually for the repetitive and superficial satisfactions of the act itself. Precies dat: iedereen keer dezelfde oppervlakkige en kortstondige bevrediging. En ook Williams moest daar destijds nog achter komen: I know that I had yet to experience in the “gay world” the emotion of love, which transfigures the act to something beyond it

Het ontwaken uit de illusie van dat vluchtige verlangen is belangrijk. Erin gevangen blijven maakt je tot een tragisch, spiritueel arm mens. Williams schrijft: I have know many gays who live just for the act, that “rebellious hell” persisting into middle life and later, and it is graven in their faces and even refracted in their wolfish eyes.

En wat weerhield Williams van een voortdurend bestaan in die rebellious hell? Je wil dat het antwoord liefde en niets dan liefde is. De behoefte aan iets iets diepers, iets wezenlijkers. Maar dan schrijft hij het volgende: I think what saved me from that was that my first commitment was always to work. Werken, schrijven, dat was wat ervoor zorgde dat hij niet verviel in liefdeloze lust. Hè jammer. Maar wacht even. Daarna schrijft hij: Yes, even when love did come, work was still the primary concern. Dat is fijn om te lezen, die vier woordjes: When love did come. Want het was er hoor, de liefde. Het boek staat er bol van. En misschien was de liefde voor zijn werk, immer en altijd zijn prioriteit, evengoed echte liefde.       

Tennessee Williams, een notoire alcoholist, stierf op zijn éénenzeventigste in een kamer in het Hotel Elysée te New York. Hij stikte in het plastic dopje van een neusspray, of van een flesje oogdruppels; dat is nooit achterhaald.


Abonneer je HIER gratis op deze stukjes. 

vlammen! hagel! zandstorm!

Het is duizelingwekkend hoe snel een nieuwe omgeving zich aan je kan opdringen als zijnde je totale werkelijkheid. Vanwege het schrijven van een kort verhaal in opdracht verblijf ik nu iets minder dan vierentwintig uur in een klein huisje – een tiny house, zo’n energie-neutraal huisje met een composttoilet – midden in Leidsche Rijn, Utrecht, en het voelt alsof ik hier al jaren, of misschien wel al heel mijn leven, gevangen zit. 

Leidsche Rijn is een nieuwe wijk bij Utrecht. Het complete winkelcentrum is in een paar jaar tijd uit de grond gestampt en moet ontworpen zijn door iemand zonder ziel. Het is zo burgerlijk en generiek dat het beklemmend is. Beklemmend en bedrukkend; ik heb echt het idee dat ik hier minder goed kan ademhalen. De Starbucks, de Hema, de Jumbo, de H&M. De geestdodende niksigheid van de appartementen. Het voelt alsof ik gevangen zit in een droom, een nachtmerrie over een wereld waarin alle mooie dingen helemaal niet blijken te bestaan, waarin ik schreeuw naar de mensen die hier wonen en winkelen: ‘Waar is alles? Waar zijn de mooie dingen?! Waarom is er alleen maar dit?!’, en dat ze me aankijken alsof ik gek ben, want wat zou er dan in godsnaam nog meer moeten zijn?

Een verhaal over de stad van de toekomst moet ik schrijven. Een dystopie, een utopie; in ieder geval iets om over na te denken. Het huisje staat op het Berlijnplein, wat – de naam zegt het al – een beetje aan Berlijn moet doen denken, en dan eigenlijk Oost-Berlijn. Het is de bedoeling dat het wat ruwheid en artisticiteit geeft aan de beleving van Leidsche Rijn. Zeg maar een creatieve enclave. Maar ik weet het niet. Een hip industrieel restaurant, een paar ateliers en dit kleine, koude huisje. Goed bedoeld, natuurlijk. Beter dan niets. De mensen die het bestieren zijn enthousiast en proberen er wat van te maken. En dit soort projecten, zoals het schrijven van een verhaal op lokatie, zijn in essentie leuk. In theorie.

Mijn hele leven ben ik hier al. Ik weet het zeker. De rest was een droom. Ik ben hier ontwaakt. Aan alle kanten duwt het grijs en het beton me terug op mijn plaats, waar ik zijn moet. Ik voel zelfs mijn eigen fantasie en creativiteit afnemen. Nog even en ik kan niet eens meer verzínnen hoe iets moois er überhaupt uit zou moeten zien.

Ik zag beelden van de rampen in Australië. Ik zag de verzengende vuurzee en dacht: ja, geef me vlammen! Ik zag de hagelstenen zo groot als tennisballen en dacht: ja, geef me hagel zo groot als tennisballen! Ik zag een razende zandstorm van driehonderd kilometer breed en dacht: ja, geef me een zandstorm! Midden op het plein ging ik daarna staan, met mijn armen opgeheven naar de lucht, smekend: vernietig deze wereld.   


Abonneer je HIER gratis op deze stukjes.