overdreven vriendelijk (#christchurch)

Ja hoor, het lijkt erop dat Henk van Straten weer eens overdreven vriendelijk tegen moslima’s doet. Al eerder schreef ik over de vrouwen met hoofddoek achter de toonbank van de apotheek, en hoe ik aan hen over tracht te brengen dat ik hen goedgezind ben. Dat ik dan wel tatoeages heb, en een zegelring draag, maar dat ik heus niet thuis op alt-right webfora haatdragende, pseudowetenschappelijke nonsens zit te verspreiden onder de naam IslamCrusher666, nippend van een mok chocomelk, tevreden onder mijn fotocollage met Breivik, Baudet, Wilders, Hitler, Trump. Dit alles tracht ik aan hen over te brengen door héél beleefd en vriendelijk te doen.

Vanmiddag ging ik fitnessen. Beetje op de bokszak ook. Mijn sportschool is nieuw en gevestigd in een voormalig katholieke kerk. Steeds minder mensen gaan de kerk en steeds meer mensen naar de sportschool. Zodoende.

Het was er bijna verlaten. Behalve ik was er één jonge vrouw. Maar toen zag ik een schoonmaakster. Ze duwde zo’n karretje met sop en dweil vooruit. Ze droeg een hoofddoekje en meteen begonnen in mij de raderen te draaien. Zo vlak na Nieuw-Zeeland natuurlijk helemaal. Ik wist dat ik iets ging zeggen, ik wist alleen nog niet wát. Zelf was ik ook benieuwd. Het werd: ‘Goeiemiddag!’ Ze antwoordde: ‘Hallo.’ Waarop ik vroeg: ‘Jij ook lekker aan het sporten?’ Ze antwoordde: ‘Soms.’ Daardoor viel mijn grap in het sop, want ik bedoelde natuurlijk dat dweilen ook een soort sporten is. ‘Ha!’ deed ik. En daarna nog iets als: ‘Oké!’

Het raakte me, die vrouw, ingetogen aan het werk, in een katholieke kerk, zweet poetsend van moderne fitnessapparatuur, met haar hoofddoekje, vlak na die aanslag. Ik zocht naar emotie op haar gelaat en stond op het punt om erover te beginnen. Maar wat te zeggen? Vragen of ze een beetje van de schrik bekomen was? Zeggen hoe vreselijk ik het vond? Ik durfde niet. Misschien werd ze boos. Misschien sloeg het nergens op om te doen alsof zij familie van de slachtoffers was, alleen maar omdat ze een hoofddoek droeg.

En weet je wat het ergste was? Dat ik even – maar echt héél even – naar dat karretje keek en dacht: wat als dat een bom is? Zo gaat dat met angst en associaties nu eenmaal. Want wat een doelwit zou het zijn voor de moslimterrorist: een gebouw dat zowel een symbool voor het Westerse geloof als de Westerse decadentie is. Alleen waren er momenteel natuurlijk maar twee slachtoffers te maken: de jonge vrouw op de crosstrainer en de beste schrijver van Eindhoven.

Over die vrouw op de crosstrainer gesproken: ze luisterde muziek op haar mobieltje, zonder koptelefoon, terwijl er ook al muziek in de zaal werd gedraaid. Haar muziek jengelde dus door de andere muziek heen. Heel even dacht ik: oké, blaas ons maar op.

Weet je wat trouwens ook opvallend is? Dit terzijde hoor. Maar sinds Leon de Winter een fanatieke islamofoob is geworden schrijft hij geen goede romans meer. Dat zegt ook wat, denk ik. Namelijk: hoe extremer je wordt, hoe verder je van mooie dingen verwijderd raakt.


Hier meer info over mij, mijn werk en de mogelijkheid tot het abonneren op deze stukjes.

captain one eye

In de sportschool, bij de losse gewichten, praat ik met de kaalgeschoren man die slechts ziet met één oog. Hij is tegen de vijftig en nog best gespierd, maar ook een beetje vlezig. Het oog waarmee hij niet kan zien is glazig en vaal. In films zijn personages met zulke ogen altijd óf helderziend en bezeten óf gepokt en gemazeld na vele veldslagen. De man in de sportschool was bouwvakker tot hij werkeloos werd. Of zijn oog beschadigd is geraakt op de bouw, wat toch ook een soort slagveld is, dat weet ik niet, maar dat hij een orakel is lijkt me vooralsnog sterk.

Als hij met me praat zweet hij flink, en hij is een beetje buiten adem. Ook wrijft hij over zijn onderrug. De deadlift doet hij niet meer, zegt hij. Ik schud instemmend mijn hoofd: geen goed idee, inderdaad, om met een slechte rug de deadlift te doen. Het was namelijk voornamelijk zijn rug waardoor hij moest stoppen met zijn werk in de bouw. ‘De deadlift kán wel,’ zeg ik. ‘Maar dan moet je techniek echt perfect zijn.’ Ik zeg het met autoriteit, alsof ikzelf niet pas sinds een paar weken geleden de deadlift onder de knie probeer te krijgen en ‘s nachts soms wakker word met rugpijn.

Hij vertelt over zijn bezoekjes aan het UWV. Het is dat verhaal dat je al veel vaker hoorde en dat je nooit helemaal begrijpt, en waaraan je toch ook altijd een beetje twijfelt. Over het weigeren van baantjes die minder betalen dan je uitkering, over leeftijdsdiscriminatie, over medewerkers die er niets van snappen. ‘Ze hadden een baantje als orderpicker voor me,’ vertelt hij. ‘Maar ik zei tegen ze: ik kan echt niet de hele dag staan.’ Ook nu knik ik instemmend. ‘Je zou iets moeten hebben waarbij je afwisselend zit en staat,’ opper ik. ‘Of een baan met diensten van maar vier uur.’

Hij knikte. Het leek hem een goed idee. Ik had gelijk.

Hij wreef over zijn schouder. Ook van die plek had hij last. ‘Een vriend van me zegt dat ik acupunctuur moet doen, maar ik weet niet of dat werkt en bovendien wordt het niet vergoed.’

Hier kon ik heel kort over zijn: ‘Acupunctuur werkt alleen als je erin gelooft. Als je er niet in gelooft dan werkt het niet. Wetenschappelijk hebben ze nooit het effect kunnen bewijzen.’ Heel stellig was ik hierover. Ikzelf had namelijk ook ooit acupunctuur gedaan, zonder enige baat, en ook had ik acupunctuur uitgebreid gegoogeld. ‘Echt niet doen,’ zei ik tegen de man. ‘Zonde van het geld.’

Hij geloofde me. Hij was onder de indruk van mijn expertise, dat kon ik zien. En ikzelf was er eigenlijk ook wel van onder de indruk. Wat weet ik toch veel, dacht ik, nadat ik aan een nieuwe oefening was begonnen. Ja, het is echt zo, want ook mijn vriendin, wanneer ik haar weer eens een paar feitjes heb opgedrongen, zegt altijd tegen me: ‘Wat wéét jij veel.’


De laatste tijd wat minder stukjes. Mijn excuses. Hier meer info.

winter

Ik merk dat ik me nog steeds op de winter voorbereid. Uit de teringzooi die mijn jongens van ons halletje maken pluk ik keer op keer de handschoenen, om die vervolgens een beter plekje te geven. Hetzelfde geldt voor de sjaals. Want ik weet hoe dat gaat: straks is het koud en zijn we alles kwijt.

Mijn jongste, die naar eigen zeggen ‘warmbloedig’ is (in tegenstelling tot bijvoorbeeld onze hagedis Oscar), slaapt iedere nacht in niets dan een onderbroek. Zijn pyjama heb ik klaarliggen. En iedere avond, als ik hem naar bed breng, dan stelt me dat gerust. De pyjama ligt klaar; als het echt winter wordt dan ben ik voorbereid. Dan eis ik dat hij hem aantrekt.

Dit voorbereiden op de komende winter duurt maar en duurt maar. Ondertussen beginnen de eerste planten in mijn achtertuin al kleine groene flosjes te vertonen. Ik ben al een paar keer zonder jas naar buiten gegaan. Maar onbewust ben ik dus nog in afwachting van de winter.

Voor het eerst in mijn leven is het alsof iemand een compleet seizoen uit het kwartet heeft getrokken. Het zou een verhaaltje van Toon Tellegen kunnen zijn: die keer dat de winter zoek was en alle dieren hem gingen zoeken.

In de dierenwinkel, waar ik sprinkhanen voor Oscar kwam kopen, stond ik achter een vrouw die iets voor haar hond afrekende. Ze was heel lang, die vrouw. Een kop groter dan ik. Ze droeg een jas met capuchon waarin ze helemaal verdween. Ik kon haar gezicht niet zien. Ze sprak met de winkelier over haar hond, en een chip, en hormonen, en gedoe. ‘En nu schiet hij natuurlijk ook al veel eerder in de rui,’ zei ze tegen de winkelier. Waarop de winkelier zei: ‘Ja, nu met die kortere winters en zo.’

Het voelt nog nieuw, dit fluctuerende klimaat, maar blijkbaar is het al gewoon genoeg geworden voor laconieke praatjes in de dierenwinkel.

Toch blijf ik uit de puinhoop van jassen en tassen de handschoenen vissen en laat ik de pyjama liggen waar hij ligt, al is mijn jongste er inmiddels misschien al te groot voor.


Klik hier voor meer info en de mogelijkheid tot het nemen van een abonnement.

hond/ ezel

Momenteel werk ik aan een boekje. Ik werk natuurlijk altijd wel aan een boek, maar nu werk ik aan een boekjuh. In opdracht. Mag ik verder nog niks over zeggen. Hoe dan ook, van zaterdag tot woensdag heb ik in een huisje in Vorden zitten werken. 

Het was een huisje naast een woonhuis. De vrouw des huizes haalde me op van het station(netje). Er was een hond die mij niet moest. Zo’n hond die graag de baas speelt over schapen. Ja, tegen schapen durfde hij wel. Hij blafte naar me en had z’n staart tussen z’n benen. De vrouw zei: ‘Het komt door je grote rugzak.’ En het is waar: mijn rugzak is heel groot. Maar nadat ik de rugzak af had gedaan moest de hond me nog steeds niet. De vrouw had daar geen verklaring voor.

‘Wil je even mee naar binnen om mijn man te ontmoeten,’ vroeg ze. Of dat droeg ze op. Dus dat deed ik. ‘Ik zei toch dat hij het was,’ zei ze tegen haar man, toen we binnenkwamen. ‘Ja, ik zie het nu ook,’ zei de man. 

Mijn huisje was klein en knus. De vrouw legde alles uit. Het bed stond in de kamer. Het bureau was prima. Ik leefde als een monnik. Vroeg naar bed, geen druppel alcohol, iedere ochtend een reeks voedingssupplementen. In die paar dagen typte ik 10.000 woorden.

’s Nachts viel het licht van de maan binnen en hoorde ik af en toe een uil, en ook af en toe een ezel. Het klonk nieuw en vreemd, het geluid van die ezel. Ik vroeg me af of ik het eigenlijk al wel eens eerder had gehoord. Ik bedoel het échte geluid, en dus niet het geluid dat is opgeslagen op mijn culturele harde schijf. (Tekenfilms, mensen die een ezel nadoen, etc.) Wat me opviel is dat het ‘hi’-geluid in ‘hi-huuhh, hi-huhhh’, niet opzettelijk is. Het ‘hi’ is het inademen, zodat de ezel kracht kan zetten voor het ‘huhhh!’ In feite is een ezel heel slecht in het maken van zijn eigen geluid. Geen idee hoe lang geleden de ezel zijn huidige vorm kreeg, evolutionair gezien, maar dat hij nu nog steeds zijn eigen geluid niet onder de knie heeft, dat zegt wel wat.

De laatste dag kreeg ik van de vrouw des huizes een appje. Of ik die avond bij haar en haar man wilde eten. Ik besloot toen om die middag al naar huis te gaan. Dat was ik al een beetje van plan, maar nu wist ik het zeker.

Toen ik het terrein verliet was de hond mijn beste vriend.

Nee, dat is niet waar. De hond blafte en gromde me na tot ik uit het zicht was.


Hier meer info over boeken en abonnementen.

octopus

Sinds een week of twee lees ik een boek over de octopus. Ook toen er een klein beetje ophef was vanwege een lezing die ik gaf voor klassen van een middelbare school in Katwijk – en vooral vanwege de brief die de school vervolgens naar de ouders stuurde, waarin ze hun excuses aanboden voor mijn bezoek – las ik over de octopus. Ik heb gemerkt dat als je te midden van dergelijke commotie aan de octopus denkt, je een stuk beter gedijt.

De octopus stelt me gerust, al weet ik niet precies waarom.

Als ik mijn hagedis Oscar in zijn ogen staar heb ik het idee dat ik terug in de tijd kijk. Alsof ik een dinosaurus aankijk. We lijken zo verschillend, hij en ik, en toch lijkt zijn brein véél meer op het mijne dan het brein van een octopus. Waar de gemeenschappelijk voorouder van dino’s en mensen slechts 300 miljoen jaar geleden leefde, leefde de gemeenschappelijke voorouder van de mens en de octopus zo’n 600 miljoen jaar geleden: een rudimentair, wormachtig zwembeest zonder ogen (hooguit lichtsensoren). Op dat moment scheidden zich onze evolutionaire wegen. De octopus ontwikkelde een compleet eigen brein, eigen intelligentie, eigen bewustzijn.

Leuk weetje: een octopus heeft drie harten en zijn brein bevindt zich evengoed in zijn armen als in zijn kop. Zijn armen kunnen autonome beslissingen nemen. Hij heeft geen botten, ook geen kraakbeen, en hij is dus vormloos; hij heeft de vorm die hij besluit aan te nemen. Hij kan van kleur veranderen, inktwolken maken en zich razendsnel voortbewegen doormiddel van straalaandrijving, zoals een jetski.

Octopussen in laboratoria weten dat ze in een bak zitten, dat de mensen zich búíten de bak bevinden. Er zijn anekdotes van wetenschappers waarin een octopus een straal water op hen schiet zodra ze even niet opletten, van octopussen die ’s nachts uit hun bak kruipen om in een aquarium ernaast vis te eten én dan weer terug te kruipen. Op Youtube staat een filmpje van een octopus die zich zonder verzet laat opsluiten in een pot met draaideksel, om vervolgens van binnenuit die deksel open te draaien.

Peter Godfrey-Smith, de schrijver van Other Minds, het boek dat ik lees, concludeert dat je als mens niet dichter bij de ervaring van contact met een buitenaards wezen kunt komen dan wanneer je met een octopus te maken hebt.

Uiteraard heb ik al uitgezocht of je een octopus in huis kunt hebben. (Sorry, Oscar.) Het kán, maar nu komt de teleurstelling: een octopus wordt maar één tot twee jaar oud. Toen ik dat las zonk mijn (enige) hart me in de schoenen. Na 600 miljoen jaar evolutie ben je een prachtig, slim, ondeugend wezen geworden, en dan heb je maar een jaar om daarvan te genieten? Dat is gewoon niet juist.

Nou ja, goed, wat ik alleen maar wil zeggen: als het je even te veel wordt, denk dan aan de octopus. Je zal merken dat het helpt.


Info over mijn boeken en een abonnement op deze stukjes vind je HIER.