ik versus/hartje ik

Soms moet je toegeven dat je een minder leuk iemand bent dan je zou willen. Of in ieder geval dat je op momenten een minder leuk iemand bent dan je zou willen.

Neem het moment waarop ik benzine tank: ik gooi de auto nooit vol, altijd tank ik maar voor zo’n dertig euro, omdat het anders zo duur wordt, zo’n aanslag is op mijn banksaldo, terwijl ik uiteindelijk aan benzine toch wel hetzelfde bedrag kwijt ben, of ik de auto nu volgooi of niet; het enige wat ik ermee bereik is dat ik vaker moet tanken. Ik vind dat laf en zuinig. Als ik me mensen voorstel die zo zijn, dan zie ik mezelf niet.

Of neem de snelweg. Ik ben van nature een middenbaanrijder. Alleen als ik me bewust ben van mijn rijgedrag ga ik rechts rijden en gebruik ik de twee andere banen slechts om in te halen. Middenbaanrijders zijn verschrikkelijke mensen; ze kijken recht vooruit, alsof ze niets verkeerd doen, en trekken zich niets aan van de andere weggebruikers. Dat ik van nature zo ben, als ik me niet actief tegen die neiging verzet, vind ik heel erg. Ik wil zo iemand niet zijn.

Ook in de aanloop naar een boekpublicatie, zoals nu, heb ik mezelf niet zo hoog zitten. Het werk zit erop, ik weet niet zo goed wat ik mezelf aanmoet, ik ben gespannen en prikkelbaar. Maar dit is nog niks. De weken ná de publicatie, dan ben ik pas écht iemand van wie ik geen hoge pet op heb. Niets is goed genoeg. Ligt het boek in stapels in de boekenwinkel, dan denk ik: het hadden meer stapels kunnen zijn. (Bij een hoge stapel denk ik: blijkbaar koopt niemand ze. Bij een lage stapel denk ik: blijkbaar heeft de winkel er maar een paar ingekocht.) Om me misselijk van walging te maken hoef ik niet eens een sléchte recensie te krijgen; een recensie van drie sterren is al genoeg. (Een drie-sterren-boek is een middenbaanboek.) Als ik niet minstens één keer per dag word gebeld door de uitgeverij met de mededeling dat krant X/ radio Y/ tv Z me wil interviewen, dan denk ik: het wordt niks met dit boek. De successen van andere schrijvers maken me woedend van jaloezie en verongelijktheid. Rationaliseren of relativeren heeft geen zin. Ik ben een speelbal van krachten waarover ik geen controle heb. Het maakt me nerveus en angstig, en daar word ik weer somber van. Omdat ik die kleingeestige, kinderachtige persoon dus niet wil zijn. Ik ben nog liever een middenbaanrijder dan de persoon die ik ben na een boekpublicatie.

Voor het slapengaan las ik, zoals iedere avond deze laatste weken, in de dagboeken van John Cheever. Ik las:

When we say “Christ, have mercy upon us,” we don’t ask for a literal blessing, I think. We express how merciless we are to ourselves.

En daarna:

Oh, to be so much a better man than I happen to be.

Vooral dat happen to be vond ik treffend.

Mijn zoons en ik keken een aflevering van het geweldige Poesjes. Een Vlaamse hangoor boekte een huwelijkssuite, voor zichzelf, voor hem alleen, omdat hij van zichzelf moest leren houden. En het lukte hem. Hij likte een drankje leeg en zei: ‘O, dit heb ik echt verdiend.’

 


Het aanstaande boek heet Ernest Hemingway is gecanceld. Het is reeds te reserveren in zowel de echte als de online boekenwinkels. Je gratis abonneren op deze stukjes kan HIER.

knoest

In de sportschool deed een oefening voor mijn triceps toen een jonge instructeur langsliep en tegen me zei: ‘Knoest.’ Hij bedoelde het als compliment, maar ook een beetje spottend; een vriendelijk geintje. Hij had ook kunnen zeggen: kleerkast. Ik ben heus niet heel breed, maar ik ben ook niet slap. Wat hij er ook vooral mee bedoelde was: goed bezig.

Maar dat is niet het punt dat ik wil maken. Waar het me om gaat, in dezen, is de golf van trots die ik voelde, de geluksstofjes die ik aanmaakte. De leraar had me een complimentje gegeven! Een leraar van twintig jaar jonger die, zo schat ik het in, niet vaak een boek openslaat. Dat deed er niet toe; ik was weer een kind, blakend in het aangezicht van een goedkeurende meerdere. Hoe gevoelig ik daarvoor ben! Hoe makkelijk ik me mee omhoog laat voeren wanneer gevlijd en hoe diep ik val bij de minste hint van kritiek of de vrees iemand te hebben teleurgesteld!

Veertig jaar—bijna éénenveertig—en nog steeds heb ik geen kompas dat trouw naar het Noorden wijst, hoe de wind ook staat, hoe de zee ook klotst en schuimt.

Dit verklaart waarschijnlijk ook mijn fascinatie voor het boeddhisme, want heel kort door de bocht is dat de leer die de Boeddha ontwikkelde: hoe het kompas recht te houden in de storm van je emoties, dus zonder je al te zeer van de kaart te laten brengen door enerzijds wenselijk en anderzijds onwenselijk. Die leer wordt vaak verkeerd geïnterpreteerd; mensen denken dat je moet leren om niets meer te willen, om nergens meer naar te verlangen; dat je een soort apathische cactus moet worden. Maar zo is het niet; een aanwijzing daarvoor vind je in die lichte glimlach die je (op afbeeldingen) vaak op het gelaat van de Boeddha ziet. Je hoeft alleen maar om die emoties te kunnen lachen, omdat je ze zíét, en ziet voor wat ze zíjn, zodat je ze als golven in zee onder je door kunt laten gaan, zonder erdoor te worden meegesleurd.

Ik heb nog altijd het plan om een non-fictie boek te schrijven dat heet: Ik ben de slechtste boeddhist die ik ken.

Gisteren op de fiets in de bossen luisterde ik naar Met Groenteman in de kast, de podcast van Gijs Groenteman. In deze (aangrijpende) aflevering sprak hij met schrijver Anton Dautzenberg. Toen Dautzenberg vertelde over iets wat hij en Groentemen (en ik) zagen als onrechtvaardig en belachelijk, zei Groenteman verontwaardigd: ‘Maar dat is toch ongelofelijk!’ Waarop Dautzenberg heel kalmpjes zei: ‘Ja, maar zoveel is ongelofelijk.’

Dat vond ik prachtig.

 


Je abonneren op deze stukjes is gratis en kan HIER.

wekker

‘De wekker gaat weer ’s nachts,’ zei ik tegen mijn jongste zoon, vanochtend om kwart over zeven. Op de overloop, in zijn onderbroekje, wreef hij in zijn ogen. Ik stond naakt de intervaltimer in te stellen, voor mijn koude-doucheprogramma. Die douche wordt iedere ochtend kouder, nu ook het grondwater kouder wordt, maar sinds ik ermee ben begonnen heb ik nog geen dag overgeslagen. Hoe dan ook, die kleine keek me niet begrijpend aan. ‘Ik bedoel dat het voelt alsof het nog nacht is,’ lichtte ik toe. Hij haalde zijn schouders op en ging de trap af; snel zijn boterhammetjes smeren en dan nog even gamen.

Maar hij moest dat toch ook voelen, het gevoel als de herfst is ingetreden, ’s ochtends, dat het is alsof je lichaam losscheurt van een groter lijf, dat je wordt gescheiden van iets wat volmaakt was, als een geboorte, al kan ik me dat niet herinneren. Als kind, als in het pikkedonker van een winterochtend de wekker ging, raakte ik wel eens in paniek. In gedachten schreeuwde ik dan: dit kan niet, dit kan niet, niet nu al! Alles eraan was fout. Ook de afgelopen paar jaar werd ik vaak wakker met dat gevoel, dat alles fout was, ook als het allang licht was wanneer ik opstond. Het is er altijd wel, dat gevoel, maar de laatste tijd gaat het beter. Ik schud het van me af. Ik zeg: nee, en dan gaat het weg, waarna ik aan die koude douche begin.

Maar mijn oudste zoon, die nu dertien is, die moest het toch zeker voelen, hoe de ochtenden steeds donkerder werden, hoe de warme zee van slaap en geborgenheid steeds moeilijker te verlaten werd? Pubers slapen graag uit; de donkere, vroege winterochtenden vond ik het ergste als tiener. Ik deed zijn kamerdeur open, zoals iedere schoolochtend, en wilde net zijn grote licht aandoen toen hij al riep: ‘Goeiemorgen, loser!’ Het licht aan, zijn grote grijns half verscholen achter het dekbed.    

Misschien was alleen ik het, die het zo sterk voelde. Ik kon het me haast niet voorstellen, maar ik projecteer wel vaker dingen van mezelf op mijn jongens. Daarom maak ik me altijd zo’n zorgen om ze, omdat ik vrees dat ze zich later als ik zullen voelen.

We ontbeten, ieder op een eigen plekje. Ik zat aan tafel de Groene te lezen. Mijn jongste moest als eerste naar school. Ik stak mijn armen naar hem uit en hij liet zich knuffelen, zogenaamd met tegenzin. Toen daarna ook mijn oudste moest vertrekken gaf hij me een lel tegen mijn achterhoofd en een stomp tussen mijn schouderbladen. ‘Nerd,’ zei hij, en gaf me een kus.

Ze waren weg. Het was inmiddels licht geworden. Er was een afwas. Er was een boek. Ik moest aan de slag. Ik rukte me los.

 


Als je deze stukjes graties en voor niets in je inbox wilt ontvangen kun je je HIER abonneren.  

de jeugd van tegenwoordig

De ironie wil dat ik het die ochtend nog met vriend T. erover had gesproken, over corona, en dat hij zei dat deze tweede golf wetenschappelijk terug te herleiden was naar jongeren met illegale feestjes en vakanties in Spanje. Je kunt dat zien aan de mutaties van het virus of zoiets. Onvoorzichtige, egocentrische jongeren, die waren de schuldigen. Ik hoorde vriend T. aan, we dronken koffie, ik knikte instemmend. Nog steeds begrijp ik niet helemaal hoe het kon gebeuren dat ik diezelfde avond ineens in een Nijmeegs studentenhuis stond, met een flesje bier in mijn handen, tussen een stuk of tien dronken vreemden.

Zo gaat dat dus. Of: zo kan dat dus gaan. De reden dat ik in Nijmegen was, was een tweede date. Zijn woont in Amsterdam, ik in Eindhoven; het leek ons een leuke, neutrale plek. We hadden de botanische tuinen bezocht—gesloten vanwege de regen, zo bleek—en dronken biertjes In De Blaauwe Hand. Daarna aten we wat. Daarna dronken we nog wat. En toen was het ineens tien uur.

Tien uur: hét moment waarop je er net lekker inkomt, waarop het het zicht wat troebeler wordt, het bloed wat sneller gaat stromen, de zenuwen tot bedaren komen en de grenzen van decorum vloeibaar worden. Het begint, met andere woorden, net leuk te worden.

Of we de zaak wilden verlaten, was het verzoek. We liepen door de stad, richting het hotel, toen we onderweg ineens luide muziek en geschreeuw en gebonk hoorden. We zagen flitsend licht achter de deur die de ingang naar deze commotie moest zijn.

‘Even kijken,’ zei zij, en liep al richting die deur. Toen ik naast haar kwam staan, en we tevergeefs door het melkglas iets trachten te zien, werd er plots ruw opengedaan en keken we naar een dronken student die ons argwanend vroeg wat we kwamen doen. We hadden lawaai gehoord, zeiden we, en waren nieuwsgierig. ‘We zijn net een café uitgezet,’ zei ik, op een toon die suggereerde dat ons groot onrecht was aangedaan. En toen stonden we ineens binnen.

Zo gaat dat dus. Zo gaat het dus mis. Die jongens—er waren geen meisjes bij—hadden het concept ‘café’ al helemaal opgegeven en hadden hun huis omgetoverd tot een armoedige campingdisco in een arm deel van Wallonië; de bewegende kleurenlampen stuk voor stuk bij de Action gekocht. We moesten een trap op. Op die trap stond om de paar treden een shotglaasje met een melkwitte likeur erin. De jongens schreeuwden naar elkaar. Dat waren ze dus aan het doen: je moest onderaan beginnen en dan zo snel mogelijk naar boven, waarbij je uiteraard ieder glaasje achterover moest slaan. Een enkeling mistte een trede en viel; dat was het gebonk dat we hadden gehoord.

Gelukkig mochten wij naar boven zonder aan het spel mee te hoeven doen. We waren zelf ook al dronken. We kregen een flesje bier en er werd slap tegen ons aan gezeverd. Hun kutmuziek stond hard, dus we moesten roepen. Van anderhalve meter was geen sprake. Eén van hen toonde ons zijn kamer. In feite had hij het alleen aan mijn date aangeboden, maar tot zijn spijt wilde ik mee. Hij was begin twintig en had een aquarium met twee apathische goudvissen erin. Ook had hij een schoenenrekje. De kamer rook naar oud zaad en frustratie.

Vanzelfsprekend was de lol er snel af en stonden we weer buiten, nog een beetje beduusd van wat er zojuist gebeurd was. Pas de volgende ochtend keken we elkaar katerig aan en drong het tot ons door dat we nu tot de probleemgroep behoorden. Wij waren de brandhaard.

Mijn God, mijn God, ik ben de brandhaard.

 


Je gratis abonneren op deze stukjes kan HIERRRRRR.

eend

Ik ging haar niet tot een onderwerp van melodrama maken, de eend. Dat besloot ik. Het was ochtend. Met vriendin R., bij wie ik had gelogeerd, liep ik langs de Rotte, de rivier in mijn geboortestad Rotterdam. We hadden net ontbeten aan het water; een onverwacht zonnige dag had zich tussen het rijtje met de recente regendagen weten te wurmen. De eend die we zagen dreef op het water, zoals eenden doen, met haar kop onder water gestoken, ook zoals eenden doen. Toch was ze dood. Ze bewoog niet en haalde haar kop niet uit het water, alsof ze tijdens het zoeken naar voedsel een hartaanval of herseninfarct had gehad. Heel lang geleden kon dit niet gebeurd zijn, want dan drijft een eend niet meer zo, vermoedde ik; haar waterafstotende verendek was nog perfect intact. Andere eenden zwommen haar voorbij; ik dichtte hen harteloosheid toe.

‘Wauw,’ zei ik, of misschien zei vriendin R. dat, of misschien zeiden we het geen van beiden, maar in ieder geval was dat wat we dachten.

Een drama ging ik er echter niet van maken; geen groots en zwaar verhaal over leven en dood, over eeuwig terugkerende tragiek, over de vergankelijkheid der dingen en de verraderlijke illusie van controle. Ik zou er slechts eventjes verwonderd naar kijken, naar die eend, en er dan mijn schouders bij ophalen. Dat zou alles zijn. En zo geschiedde. ‘Tjonge,’ zei ik nog, voor we verder liepen.

Toen ik afscheid had genomen van R. dronk ik op een terrasje naast centraal station koffie met mijn alleenstaande vader. Hij woont in Rotterdam, in (of op?) Katendrecht, in een nieuwbouwflat, op de bovenste etage, op zeventien hoog, met uitzicht op het water en oude silo’s en Hotel New York, maar ook op de andere nieuwbouwflats die om hem heen worden gebouwd en die steeds meer zicht ontnemen.

We spraken over corona. Het houdt hem bezig: in Rotterdam neemt het aantal gevallen flink toe; hij is op leeftijd en ook heeft hij wellicht wat overgewicht; bovendien heeft hij een flink deel van zijn leven gerookt. Hij is aldoor waakzaam en mijdt drukke plekken. Om grip op de zaak te houden—of het gevoel van grip—is hij tot het woonbestuur toegetreden. Er woedt daar nu een strijd. Mijn vader hangt briefjes op met nieuwe huisregels en maatregelen, en andere mensen trekken die er dan boos weer vanaf. De maatschappij in het klein, in een flat, met een lift de omhoog en omhoog en omhoog gaat, helemaal tot de zeventiende etage, waar mijn vader voor zijn twee schuwe katten zorgt en uitkijkt over een ruwe stad die niet meer veilig voor hem is.   

Maar ook hier ging ik geen groot en dramatisch verhaal van maken. Ik stapte in de trein naar Eindhoven, keek uit het raam en zag een zonnige herfstdag waar niets mis mee was.

Pas toen ik de conducteur aankeek, zijn gezicht verscholen achter een mondkapje, en ik zijn angstige blik volgde, raakte ik in paniek. In de lucht, ver weg, vloog een zwerm eenden. Waar ze vlogen was het bewolkt en grijs. Er was iets mis met hen. Hun koppen hingen laag, precies zoals bij die eerdere, dode eend. Het mooie weer was plots verdwenen. Regendruppels sloegen te pletter op mijn treinraam. Er stond iets verschrikkelijks te gebeuren; ik begreep niet hoe ik dat had kunnen vergeten.

 


Je kunt je gratis op deze stukjes abonneren. Je krijgt ze dan per nieuwsbrief. KLIK HIER.