rachid is geweldig

‘We hebben nu twee Marokkanen hè,’ zegt de blondine tegen de brunette in de trein. Ze zitten aan de andere kant van het gangpad.

Mijn jongens en ik gaan een dagje naar Amsterdam. Ze mogen op hun tablets spelen van Den Bosch tot Amstel. Zwijgend hangen ze boven hun schermen. De vrouwen stapten zojuist in, op station Utrecht. Ze zijn onderweg naar huis, zoveel is duidelijk.

‘Ik had het gehoord ja,’ zegt de brunette. ‘Ze bevallen goed, geloof ik?’

‘Zó fijn,’ zegt de blondine, die haar zoontje op schoot heeft. Hij speelt met haar telefoon. ‘Rachid is geweldig. Heb je onze trap gezien? Mensen denken dat het gietwerk is, maar het is gewoon geschilderd.’

Allebei zijn ze helemaal klaar met witte verf nummer 9010. ‘Dat is echt net geel,’ zegt de blondine.

‘Bij mij op de zaak werkt het wel goed,’ zegt de brunette. ‘Maar thuis zou ik het ook niet meer willen.’ Dan meer over interieur, en over kennissen en het interieur van die kennissen.

‘Je haar zit echt leuk zo,’ zegt de blondine. Dan gaat het een tijdje over kappers die ze allebei kennen. Vervolgens over Portugal. ‘Die bosbranden daar…’ De brunette knikt instemmend. ‘Onder Lissabon geloof ik?’ De blondine knikt. ‘Mijn vader heeft er in ieder geval geen last van.’ De brunette knikt. ‘Veel doden gevallen, hoor ik.’ Dan zwijgen ze. Hun ogen gaan even naar het raam, het uitzicht. De doden verpesten hun plezier, hun luxe, de verbouwing, het nieuwe kapsel, de illusie van een eeuwig leven. Als ze weer spreken gaat het over vakanties en vakantiehuisjes.

Dan over yoga. De blondine had last van haar nek. Het zat helemaal vast. Yoga hielp heel goed. ‘Waar doe je dat?’ Daar en daar. O ja, bij die en die. Ja. Waar ook zij. Ja, en hij.

Het zoontje van de blondine klooit met de telefoon en drinkt van een plastic Starbucks beker. We komen in de buurt van Amstel. De brunette staart naar buiten en mijmert: ‘Ook mooie huizen hier.’ De blondine beaamt, vertelt over iemand die ze kent, die hier gaat kopen, en iemand die het overweegt.

Op Amstel knip ik in m’n vingers en gebaar ik dat ik de tablets wil hebben. Mijn jongens leveren ze in en gapen. Ik besluit dat ik ze de Wallen ga laten zien. De vrouwen daar.

Als we bij de deur staan om uit te stappen, op CS, hoor ik achter me de blondine zeggen: ‘Ik heb zó raar gedroomd vannacht.’

Waarop ik mompel: ‘Dat lijkt me sterk.’


Ik schrijf deze stukjes zonder opdrachtgever. Een donatie stel ik op prijs. Ook bied ik een leuk abonnement met extra’s aan. Klik hier. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.

tuintje

De blauweregen laat haar vergeelde blaadjes vallen. Om de paar dagen veeg ik ze van de tegels. Ze geeft zich over; de sterkste en grootste plant in de tuin accepteert de herfst eerder en sierlijker dan de andere planten, misschien juist omdat ze zo machtig is.

Vooral de planten die uit het gemengde bloemenzaad zijn gekomen willen nog van geen herfst weten. Ik heb ze veel te laat in het jaar geplant; nu pas komen ze lekker op gang. Het heeft iets tragisch, die felle bloemen, open en vruchtbaar, opgericht naar een zon die hen al in de steek aan het laten is, en alle bijen alweer in de korf, in diepe slaap.

Gisteren en eergisteren leek het net zomer. De wilde bloemen konden zichzelf wijsmaken dat er niets aan de hand was, dat alles was zoals het moest zijn, dat de dood niet naderde en de bijen spoedig zouden komen. En ook aan de blauweregen kon je het zien; ze had spijt; het liefst had ze haar gevallen blaadjes bij elkaar geraapt en tegen haar boezem gedrukt.

Overigens doen ook de twee stuks Wolfsmelk het nog heel goed, nog altijd uitdijend, de blaadjes nog helder groen. De jonge eik is wat onzeker. De wintergroene varen lijkt de herfst juist toe te juichen, alsof hij niet kan wachten tot alle planten om hem heen zich gewonnen hebben gegeven en hij hun meerdere is.   

Ook ikzelf raakte bedwelmd door die twee mooie dagen. Ik werkte met de tuindeur open. Af en toe liep ik naar buiten en voegde me bij mijn planten. Ik zat naar hen te kijken op het stoeltje dat ik eigenlijk al had opgeklapt en weggezet. Mijn jongens waren bij hun moeder. Ik had alle tijd maar ook genoeg om te schrijven.

Ik keek naar mijn planten en stelde me voor hoe ik op dat stoeltje zat terwijl om me heen de jaargetijden zich versneld afspeelden. Kale takken, dan knoppen, dan de explosie van groen, de zee van blauw, de bloemen en de bijen, de vergeelde blaadjes, kale takken, opnieuw en opnieuw. Ik zag mijn jongens groeien, ouder en ouder, steeds meer littekens op hun ziel, hoog en fier en sterk, doch steeds meer gebogen onder hun groeiende begrip van alles wat ze nooit zullen begrijpen. Vier jaargetijden, als een ritme, een symfonie, om mij heen, om ons allen heen, terwijl wijzelf als een wilde bloem slechts eenmaal groeien en eenmaal bloeien, resoluut, zonder ook maar het kleinste beetje vertraging, zelfs wanneer we ons verzetten, wanneer we doen alsof de zomer ons nog niet heeft verlaten, onze bloemen open en vruchtbaar, de bijen al in hun korf.


Eenmalige donaties zijn welkom. Ook kun je een abonnement met leuke extra’s nemen. Klik hier. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.

geel jasje/ banaan

Zonder mezelf op de schouder te willen kloppen: ik trap lekker door. Dit gaat lekker zo, de beentjes zijn goed bezig. Over een minuut of vijf ben ik op het station. In mijn hoofd werk ik door aan mijn boek. Dat is een mooie symbiose: het werken van de spieren en het werken van het brein. Zie me gaan!

Voor me fietst een stel van begin veertig. Ze dragen allebei een felgekleurd, effen jasje. Zij een fluorescerend gele, hij een laf blauwe. Hij heeft stekeltjes. Ze fietsen niet hard en zijn allebei aan de zware kant. De man steekt schuin de weg over, de vrouw blijft rechtdoor fietsen. Ik ga haar inhalen. Dan besluit ze om toch ineens schuin de weg over te steken, haar man achterna. Ze kijkt niet over haar schouder. Ik ben juist aan het inhalen en moet vol op de remmen, accuut ernstig verontwaardigd. 

‘Kijk uit!’ roep ik. ‘Jezus! Kijk even over je schouder!’ 

Bij zowel de vrouw als de man gebeurt hetzelfde: eerst is er lichte schrik, misschien zelfs een heel klein beetje schuldbesef, en dan treedt het zelfrechtvaardigingsmechanisme in werking; de verdediging, de gespiegelde verontwaardiging. Saving face.

‘Ge kunt ôk gewoon effe bellen!’ roept de man.

‘Bellen?!’ roep ik, en minder vaart. ‘Helemaal niet! Zij moet over haar schouder kijken. Dat zijn gewoon de regels hè!’

‘Maar dan kende nog steeds bellen!’ roept de man.

‘Ik had geen tijd meer om te bellen!’ roep ik.

Het gezicht van de vrouw is nu één en al agressie. ‘Rij gewoon door!’ roept ze. ‘Rij gewoon door jonguh!’ Een sterk argument waar ik zo snel geen antwoord op heb.

En dan doe ik het. Met mijn linkerhand laat ik mijn stuur los en ik wijs naar haar. Ik wijs naar haar en roep: ‘Mooi jasje!’ Ze kijkt beteuterd. Ik trap door en maak weer tempo. Ik heb gewonnen.

Verderop rijd ik achter een vrouw op een scooter. Ik adem haar uitlaatgassen in. Ze rijdt langzaam genoeg om in te kunnen halen, dus dat doe ik. Maar dan gaat zij harder rijden en haalt mij in. Weer adem ik dat gas in. ‘Jezus!’ roep ik. ‘Gaatie lekker zo?!’ Ze heeft geen flauw idee waar ik het over heb, maar ze is wel flink geschrokken. 

Op het station haal ik een banaan uit mijn rugzak. Die pel ik heel kalm en heel beheerst, alvorens er lekker van te smullen.


Leuk stukje? Misschien wil je er dan iets voor betalen, of wellicht is een abonnement met leuke extra’s wat voor je. Zie hier. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.

oude man

Sommige gedachten schieten eens in de zoveel tijd weer door je hoofd, en altijd als dat gebeurt is het alsof je het niet had mogen vergeten. Alsof je er iets mee had gemoeten of nog mee moet. Het ergste is als je er niet goed bij kunt, als je niet precies weet wat de gedachte betekent of waarom het wringt. Wanneer het iets van je verlangt.

Al zolang ik hier woon (minus de twee jaar in mijn tussenhuisje, na de scheiding) zie ik vaak een oudere man lopen. Grijze sik, oude kleren, vaal petje. Een wijs gezicht. Een eigenheimer.

Ik zag hem vaak rommelen bij de vuilnisbak op het veldje. In het begin dacht ik nog dat hij verstrooid was, of heel arm, misschien zelfs een zwerver. Pas later zag ik dat hij vuilnis van de grond opraapte en in die vuilnisbak deed. Hij ruimde andermans lege verpakkingen op en hield zo dagelijks het veldje schoon.

De laatste paar jaar doe ik dat zelf ook vaak, in het bos: ik kan niet langs een leeg blikje lopen zonder het op te rapen. De verantwoordelijkheid is niet meer af te schuiven op degene die het er heeft neergegooid. Iedere keer dat ik dat doe fladdert die man mijn hoofd weer in.

Hij had altijd een hond bij zich, een oude, tengere herder. De eerste tien jaar had ik ook een hond. Als de man en ik elkaar passeerden en ik had mijn hond bij me dan moest ik opletten en mijn best doen, zodat mijn hond die van hem niet te grazen zou nemen. (Mijn hond zou niet hebben gebeten, maar eiste wel overgave.)

Op een zeker moment zag ik de man steeds minder vaak. Toch was het alsof hij nog altijd door mijn hoofd liep, ook als ik niet aan hem dacht. Het was een kwestie van tijd voor hij opnieuw in mijn mentale gezichtsveld liep. Als ik weer aan hem dacht had ik meteen dat gevoel weer. Een soort bedrukt gevoel, alsof ik had gefaald.

Laatst werd er aangebeld. Ik deed open en daar stond hij. Hij kwam collecteren voor de kankerstichting. Ik gaf hem de paar muntjes die ik in m’n portemonnee had zitten. Hij wist wie ik was. Hij informeerde naar mijn hond. Die is dood, zei ik. De zijne ook, zei hij. Ik vertelde kort over mijn leven, dat ik ben gescheiden, dat ik geen nieuwe hond wil omdat het nu te onpraktisch zou zijn. Hij luisterde aandachtig en lachte begripvol. Voor hem ook geen nieuwe hond. 

Toen ik de deur sloot vroeg ik me af of dit het was. Of dit gesprekje aan de deur het einde was van mijn gedachten aan hem. Het einde van het gevoel dat ik er nog iets mee moest. Misschien niet. Misschien had ik hem meer moeten vragen. (Was hij wellicht zijn vrouw verloren aan kanker?)

Als ik me nu de geest haal, zoals hij die dag voor me stond, met zijn kalme, vriendelijke ogen, dan vermoed ik dat hij verder helemaal niets van me verlangt. En toch voel ik het nog. Maar als hij het niet is, wie is het dan? 

Ik sloot de deur en liep terug de huiskamer in, moving toward whatever ancient thing it is that works the chains and pulls us so relentlessly on. (Carver.)


Interesse in het doen van een financiële bijdrage of in een plus-abonnement? Klik hier. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.

hoe ik met nagelbijten stopte

Al sinds ik me kan herinneren ben ik een nagelbijter. Als kind had ik vaak een ontstoken vinger, want met die afgekloven stompjes ging ik buitenspelen, in het zand en op straat, en zo kwam het vuil in de wondjes. Zo’n vingertopje werd gloeiend heet en zwol op, ik voelde mijn hart erin kloppen. Mijn moeder, die ook op haar nagels kloof, gaf me een kom met soda opgelost in warm water. Zat ik voor de tv met m’n hand in die kom. Als de zwelling een piek bereikte trok ik aan de huid rondom de ontsteking. Er was dan een witte flits en een pijnsteek, en vervolgens kwam de etter tevoorschijn, als een klein geel pareltje. In dat moment, in die flits, leek ik heel even flauw te vallen, er heel even niet te zijn.

In de jaren daarna had ik minder vaak ontstekingen; ik speelde niet meer in de zandbak. Maar het bijten ging onverminderd door, vaak tot bloedens toe. Ik had altijd wel één vinger met bloed of een pleister erop. Ik beet niet alleen de nagels, ik rukte ook de velletjes eromheen weg. Ik deed het koortsig. Ik moest het doen. Zelfs als mensen naar me zaten te kijken, bijvoorbeeld in de trein, dan kloof ik door. Als ik wist dat bij een volgend velletje het bloed tevoorschijn zou komen, dan nog kloof ik door.

Ik schaamde me ervoor en was me er altijd van bewust. Als ik een meisje vingerde, bijvoorbeeld, of een vinger in haar mond stak, dan vreesde ik dat ze zou roepen: ‘Getverdemme! Haal eruit!’

Ik probeerde van alles. Van die middeltjes die je op je nagels smeert. Bite-X heette dat. Ik liet me er niet door tegenhouden. Natuurlijk probeerde ik het ook gewoon te láten, het gewoon niet te dóén, maar ik had niet eens in de gaten dat ik alweer zat te bijten.

Sinds een maand of twee bijt ik niet meer, na meer dan dertig jaar. Ik heb geen idee waarom, heb er geen enkele moeite voor gedaan. Ineens kan ik mezelf krabben en blikjes frisdrank openmaken. Ik peuterde in m’n neus en kreeg een bloedneus. Nu moet ik ze knippen. Ik heb geprobeerd ze te vijlen, maar dat vind ik maar niks.

Waarom ben ik ineens gestopt? Ik heb geen idee. Het is buiten mij om besloten. Het is vreemd dat bij deze verandering, die zich toch echt ín mij heeft voltrokken, ikzelf niet betrokken ben geweest. Ik wist al dat mijn lichaam maar wat doet, maar mijn brein blijkbaar ook.

Leuk hoor, die nagels. Maar af en toe een beetje overleg, is dat te veel gevraagd?


Interesse in een abonnement met extra’s of het doen van een eenmalige donatie? Zou ik leuk vinden! Klik hier. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.