veertig biljoen en één

Mijn jongste zoon stond vanochtend hoestend op. ‘Je zal mijn verkoudheid krijgen,’ zei ik. Waarop hij begon over zijn winterjas en verklaarde dat hij het daar helemaal niet koud in heeft. ‘Verkoudheid is een virus,’ legde ik uit, ook al wist hij dat volgens mij al wel. Toch wilde hij weten hoe ik er dan aan was gekomen. ‘Van een ander mens.’ Waarna hij wilde weten hoe díé persoon eraan was gekomen. ‘Van een ander mens.’ Enzoverder. Tot hij vroeg: ‘En de eerste mens die het kreeg dan, van wie kreeg die het? En waar leefde het virus daarvoor dan?’

Daar kon ik hem geen antwoord op geven. ‘Vraag maar aan je meester,’ zei ik, en had een binnenpretje: het beeld van de meester geconfronteerd met die vraag. Vervolgens dacht ik na over een virus zonder gastheer. Zweeft het hongerig door de lucht? Hoe lang? Eet het dan maar bramen en beukennoten in het bos? Zet het een tent op als de avond valt en het regent?

Zelf ben ik inmiddels herstellende, maar ik was flink verkouden. Het virus woonde dus in mij. Het virus, en daarnaast ook nog ongeveer veertig biljoen bacteriën. (Die wonen er overigens nog steeds. Of misschien niet dezelfde veertig biljoen, maar dan toch zeker hun nageslacht.) Ik was en ben dus met z’n heel velen. Had ik een moord gepleegd en was ik in de gevangenis gegooid, dan waren ook al die bacteriën en dat virus de gevangenis ingegaan, terwijl zij hartstikke onschuldig waren. (Behalve misschien dat virus.) Raar is dat: wij alle veertig biljoen en één de gevangenis in, terwijl veertig biljoen van ons niets strafbaars deden.

Eigenlijk is het sowieso raar om een mens op te sluiten, en een mens dus in feite te verbieden. Dit mens is verboden! Dat is net zo raar als wanneer je het over een boom zou zeggen, of over een grasspriet. Hij groeit daar gewoon, het is de natuur. Al verbieden we natuurlijk ook sommige paddestoelen omdat ze je bewustzijn veranderen als je ze opeet. En wiet. Ik blijf dat bizar vinden: naar iets in de natuur wijzen en zeggen: dat mag er niet zijn

Weet je wat ook gek is? Dat als je je helemaal uitkleedt en de bossen in vlucht, naakt als een dier, dat je dan gearresteerd kunt worden omdat je bijvoorbeeld een schuld open hebt staan. Je bent naakt, je bent van vlees en bloed, de rest is erbij verzonnen. Het is allemaal fictief: je naam, je adres, de landsgrenzen waarbinnen je woont, de cijfers in de computer van de bank. Terwijl: de veertigbiljoen bacteriën die je met je meedraagt zijn meer jij dan de diploma’s in je archiefkast. 

Ik weet niet, man. Het is een droom. We leven in een droom. Ontwaken, in spirituele zin, is ontwaken uit die droom, denk ik. De meesten moeten daar misschien eerst voor sterven.

Hoe dan ook, die jongens moeten naar school. Ik zet ze uit huis en roep ze na: denk aan je handschoenen, heb je je gymspullen bij je, kijk uit met oversteken, niet je fruit weggooien. The dream continues.


Kijk eens HIER voor meer info over mijn boeken, een abonnement op deze stukjes of de mogelijkheid om me te boeken voor evenementen, workshops, etc.  

helm in bus

Als de jongen de bus instapt zie ik wel dat hij een helm draagt, maar nog op geen enkele manier vind ik het opmerkelijk. Mijn blik blijft er lui op hangen, ik pieker over andere dingen. Maar zoals dat gaat: onbewust blijf je ergens aan plakken en al snel word je je gewaar van je fascinatie.

De jongen, van een jaar of zestien, heeft helemaal geen fiets. Ook geen step of skateboard. Hij draagt alleen een schoolrugzak. De zwarte helm zit hoog bovenop zijn hoofd en lijkt op een helm voor wielrenners, maar dan van een soort leer gemaakt.

Bedeesd checkt hij in en loopt dan met gebogen hoofd haastig naar een stoel. Ik staar te lang naar hem, denk ik. Hij voelt waarschijnlijk mijn blik branden. Maar misschien voelt hij altijd ieders blik op hem branden, omdat hij denkt dat iedereen altijd naar hem kijkt, of dat nou zo is of niet.

Een associatie dient zich aan. Een herinnering. Vroeger, als ik naar een bepaald vriendje fietste, kwam ik altijd langs de grote tuin van een psychiatrische instelling. Je had daar mensen met precies zo’n helm op, en soms zag ik waarom: dan stond er eentje met zijn hoofd tegen de muur te bonken.

Ik kan het niet helpen, ik kijk opnieuw naar de jongen. Nee, besluit ik. Hij is geen muurbonker. Misschien heeft hij ernstige epilepsie en kan hij ieder moment vallen. Hij vangt mijn blik en kijkt met wat ik denk dat zinderende woede is. Ik weet heus wel wat je denkt, lijkt hij te willen zeggen. Dat ik een debieltje ben, dat ik niet spoor. In mij ziet hij alle mensen die hem ooit hebben gepest, en misschien wel zijn ouders, die hem opzadelden met dit gen, en misschien wel God, die alles maakte zoals het is.

De rest van de busrit weet ik mijn blik op de rugleuning voor me te houden. Dan, als ik uitstap en langs ons veldje loop, zie ik het jongetje met het rode bloempotkapsel. Ik dacht dat hij was verhuisd, ik heb hem zeker twee jaar niet gezien, maar daar staat hij weer. Mijn zoontjes zochten destijds wel eens contact met hem, maar hij was te eigenzinnig. Liep zingend en in zichzelf pratend achter een bal aan, alsof die bal een persoonlijkheid had. Altijd liep hij daar in zijn eentje te mompelen en te springen, grijpend naar de lucht. De verbazing van mijn zoons veranderde al snel in hoon en spot, wat ik hen aldoor probeerde af te leren. Zijn kapsel – felrood haar, kaarsrecht afgeknipt – maakte zijn populariteit er niet bepaald groter op. Ook het feit dat zijn vader steevast een motorjack van Kawasaki droeg, maar geen motor had, hielp niet.

Nu zie ik hem weer staan. Langer, kalmer. Een beginnende puber, net als mijn oudste. En kijk, hij staat weer tegen de grond te mompelen. Ocharm… O, wacht, nee, toch niet. Hij laat een hondje uit! Hij praat tegen zijn hondje!

Op dat moment kijkt hij op en ziet hij me kijken. Zijn kapsel is allang niet meer hetzelfde. Van hem krijg ik dezelfde blik als van de jongen in de bus, alsof ik tot de vijand behoor. Dus begin ik direct mank te lopen. De rest van de weg naar huis loop ik scheef en moeilijk. Dat zal hem leren.


Kijk gerust even bij de informatie op mijn website voor een abonnement op deze stukjes of de boeken die ik schreef.

reichswald

Jezelf voornemen om een goede man te zijn, ik weet niet of dat werkt. Vaak, als ik me het voorneem, ga ik weer de mist in, waardoor het voornemen aan waarde verliest. Misschien lukt het me niet omdat ik nog geen man ben, maar nog een man moet wórden. Althans, zo voelt het; na negendertig jaar voel ik me nog altijd een jongen. Zo bezien hoef ik niet altijd mijn verantwoordelijkheid te nemen, omdat ik dus nog niet écht een man ben. Ik kan mezelf mijn fouten vergeven. Het kan nog wel goed komen met mij.

Een dergelijke mijmering draagt sowieso al de kiem van melancholie in zich, maar in de koude avondschemering van een donker Duits woud – ik heb al een uur geen ander mens gezien – moet ik ervoor waken dat ik niet verander in een boom waarvan de wandelaars zullen zeggen: moet je zien hoe krom díé boom staat, en waarom heeft hij als enige geen bladeren?

Ik begon aan deze wandeling nadat ik, in ons gehuurde huisje, mijn zieke vriendin een kus op haar gloeiende voorhoofd had gegeven. Ik had thee bij haar neergezet en een dekentje over haar heen gelegd. Al op de heenreis had ze naast me zitten hoesten en was het vermoeden gerezen dat we de komende dagen wel eens aan huis gekluisterd konden zitten. Ik zorgde voor haar en toonde haar genegenheid, zo goed als ik kon, maar tegelijkertijd voelde ik de eigen onrust gonzen, de eigen demonen fladderen. Dat merkte ze, de afstand die dat veroorzaakte. Het is alsof ik er dan niet helemaal ben. Zo gaat het vaak: ik snak naar verlossing, naar gemoedsrust, en denk die te zullen vinden in een eenzame plek ver van hier, of juist ergens heel diep in mezelf, wat misschien op hetzelfde neerkomt.

Als ik haar minder warmte kan geven dan ik zou willen en ik ga fysiek bij haar weg – al is het maar voor een boswandeling – dan voelt dat alsof ik haar voorgoed verlaat.

Dat deed ik al eerder, natuurlijk. Verlaten. Een huwelijk van tien jaar. Twee zoontjes. Schreef er zelfs een heel boek over. Ook dat dragen deze bomen met hun lange, vertakte handen me na.

Op een open stuk met gras staat een houten uitkijktoren. Wellicht dat de boswachter vanuit daar met een geweer de wildstand in balans houdt. Ik wil in die toren zitten, zoals ik ook wil zitten in een lege bus wanneer ik er eentje door de nacht zie rijden, of zoals ik me in kleine dorpjes altijd voorstel dat ik er woon, en dat niemand me er kent.

Maar als ik eenmaal de trap ben opgeklommen en in dat houten boshutje zit – koud, vochtig, donker – besef ik maar weer eens dat mijn eigen, eenzame hart helemaal geen goed onderkomen is, en ik weet heus waar het wél warm is. Bij haar, ziek en onzeker onder haar dekentje in ons afgelegen Duitse huisje. Dus klim ik naar beneden en vervolg ik het pad. Een goede man. Nu echt.


Abonneer je HIER op deze stukjes.

sporten voor jezus

In deze kerk ruikt alles nieuw. Het gebouw zelf staat er al even (ingewijd in 1925, toen de mensen nog in God geloofden), maar de fitnessapparatuur die erin staat kon niet moderner zijn. Oké, in een hoekje liggen een paar losse halters, maar verder is elk toestel elektronisch; je kunt er je magnetische sleutel tegenaan houden en het vertelt je wanneer je goed bezig bent, of het moedigt je juist aan: kom op, niet opgeven nu, je hebt bijna je doel bereikt.

Je doel, dat is belangrijk. Van het mijne ben ik zo zeker niet meer. Er een beetje goed uit blijven zien, gezond proberen te blijven. Dat volstaat nu blijkbaar. Ik begon ooit, toen ik jong was, met boksen. Daarna werd dat kickboksen en ik heb ook nog even geskateboard. Dat waren tenminste nog sporten met een eigen cultuur, rituelen, een ziel. Ik wilde er beter in worden, ik wilde souplesse voelen, beheersing, het gevecht aangaan met zowel de tegenstander als mezelf. Nu ben ik één van de dertigplussers die zich bij de ingang van de supermarkt een brochure in de hand heeft laten drukken om zich daarna schouderophalend over te leveren aan de uniformiteit van deze gloednieuwe sportschoolketen.

Op een bankje, licht bezweet na wat halfslachtig bankdrukken, staar ik wezenloos naar de zaal. De loopbanden en crosstrainers hebben allemaal een klein beeldscherm waarop een uitzending van Pauw wordt herhaald, een close-up van Jeroen Pauw honderdmaal vermenigvuldigd. Uit de speakers komt een soort trance, aldoor met dezelfde beat, waarin refreintjes van klassieke hits zijn te herkennen, als spaanders van een mooi schip, drijvend op een grijze zee. Hoog in de kerk hangt een gigantische zon gemaakt van tientallen TL-buizen. Die zon beschijnt de ijdelen beneden, maar verlicht ook de heiligen op de muur: Jezus en zijn twaalf discipelen zitten aan tafel en aanschouwen ons, sporters met de magnetische sleutels, trots na een digitaal schouderklopje van een apparaat.

Een vrouw van rond de dertig loopt voorbij. Ze draagt een strakke stretchbroek. Ik kijk haar na: billen, taille, manier van lopen. Even is er onbewust de afweging: wil ik me met haar voortplanten? Banale biologie, en dat in het huis van God. Maar echte interesse heb ik niet; ik ben als een vermoeide reu die bij het ruiken van een teefje even zijn kop optilt en dan weer met een zucht laat vallen. 

Als ik me omdraai, klaar voor de volgende fantasieloze oefening, zie ik door het raam een zwerver in de kou een paar peuken rapen. Als hij overeind komt kijkt hij verdwaasd de kerk in. Maar hier wacht hem geen aalmoes, geen schuilplaats, geen balsem voor de ziel. Hier wacht hem een maandabonnement à dertig euro. Met gratis bidon, dat wel.   

Als ik de kerk verlaat kijk ik nog eenmaal naar Jesus. Smekend steekt hij zijn armen naar me uit. Alsof ik ons kan redden. 


Neem anders zo’n heerlijk abonnementje op me.

bomen

Billions of years ago, a single, fluke, self-copying cell learned how to turn a barren ball of poison gas and volcanic slag into this peopled garden. And everything you hope, fear, and love became possible.

Een vrouw probeert in simpele bewoordingen een klas studenten warm te maken voor bomen. Een botanicus die haar boom-beminnende vader verloor en onder de mensen nooit haar draai vond. Als wetenschapper ontdekt ze dat bomen met elkaar communiceren, dat ze elkaar bijvoorbeeld waarschuwen voor insectenplagen. Ze wordt weggehoond en vlucht diep het bos in, waar ze jarenlang eenzaam en alleen werkt als boswachter. Ze slaapt in een vervallen boshut, waar het mos over haar heen lijkt te groeien; langzaam maar zeker neemt het bos haar in zich op, zoals het ook de dode stammen en bladeren in zich opneemt, en daarmee zichzelf.

Patricia Westerford, heet ze, en ze is één van de prachtige personages in The Overstory, de nieuwe roman van Richard Powers. Ieder personage heeft een eigen kort verhaal, en allemaal krijgen ze met bomen te maken. (Een computerprogrammeur noemt bomen the best self-modifying code die hij ooit is tegengekomen.) Na die korte verhalen komen ze samen in hetzelfde verhaal. Er is iets gaande, het bos roept om hulp en de bomen, als oude wijzen, als voorwereldlijke geesten, doen een beroep op de personages. Ik ben halverwege en het is nu al één van de mooiste boeken die ik ooit las.

Als kind klom ik vaak in de grote naaldboom in onze achtertuin. Geen idee welke soort het was. (Dat is juist waar het misgaat: we zien bomen meestal niet. Niet écht.) Hij was zeker tien meter hoog en ik klom zo ver als ik kon, tot de takken echt te dun werden om veilig op te kunnen staan. En dan nog íéts hoger. Als het waaide wiegde de boom heen en weer en was ik kalmer dan ik had moeten zijn. Niemand wist waar ik was; het was een soort transcendent alleenzijn, alsof ik hier, net als die boom, slechts op water en zonlicht kon leven en verder niets meer nodig had. Hoe langer ik daar zat, hoe meer ik me de stam voelde. Daarom schrijf ik ‘alleenzijn’ en niet ‘eenzaamheid’. Een boom is niet eenzaam; een boom verenigt hemel en aarde, is samen met alles.

Patricia Westerford doet als meisje een experiment met haar vader. Ze planten een klein boompje in een bak met aarde. Ze wegen de aarde en ze wegen de boom. Patricia wil weten waar de boom van gemaakt is, en ze vermoedt dat het de aarde is. Als de boom groter is – haar vader is inmiddels overleden – weegt ze alles opnieuw. De boom is tientallen keren zwaarder geworden, maar er is nog precies evenveel aarde. Hoe kwam de boom aan al die moleculen? Waar had hij zichzelf vandaan getoverd?

Je kunt denken dat je die dingen begrijpt, maar je begrijpt ze niet. Er is slechts dat sluimerende gevoel dat je ze ként. 


Een gratis abonnement op deze stukjes: klik hier