lsd/ polonaise

Een vriend van me kreeg een spontane uitnodiging voor een feestje, ergens afgelegen in de natuur, bij een boerderij, op een mooie nazomerdag. Hij ging erheen, het was daar prachtig, misschien wel idyllisch. Hij kreeg wijn, mensen lagen in het hoge gras, er werd gekookt.

Wat hem van te voren niet was verteld, echter, was dat er ook LSD werd gebruikt. Meedoen overwoog hij niet. En terecht, aangezien je zoiets maar beter niet spontaan kunt doen, en daarbij moest hij de volgende dag vroeg werken.

Er gebeurde wat er altijd gebeurt als een groep wordt verdeeld in gebruikers en niet-gebruikers. De gebruikers hadden hun eigen wereld, hun eigen bubbel.(Er waren maar enkele niet-gebruikers, geloof ik.) Gebruik smeedt een band. Zeker met LSD treed je samen een andere wereld binnen, en vanuit die wereld zie je dingen wellicht met een nieuwe blik, zie je wat je nooit zag, en begrijp je wat je nooit begreep. Liefde, zo veel liefde, ook voor degenen die niet gebruiken. Maar waarom zijn die ineens zo koeltjes? Voelen ze de liefde niet? Zien ze niet hoe mooi de wereld is? Hoe magisch, hoe wonderbaarlijk? De niet-gebruiker, die toch een beetje bekrompen is, wordt een soort spelbreker; hij of zij krijgt meewarige blikken.

Ik dacht hieraan toen ik gisterenochtend op de fiets aankwam bij Eindhoven CS en vlak voor de ingang een polonaise zag: een groep van ongeveer tien volwassenen, in een rijtje, hossend. Het was tien uur ’s ochtends, reizigers hadden haast en liepen hen voorbij, taxi’s kwamen en gingen. De polonaise-mensen waren luidruchtig, ze zongen en riepen naar voorbijgangers: ‘Feestje! Kom op! Niet zo serieus allemaal! Het leven is een feest!’ 

Het kan soms echt ineens zo voelen. En het is dan ook wáár. Waarom moet iedereen zo ernstig doen? Breek toch eens los uit je patronen! Het komt omdat je vrolijk bent en omdat je je zo vrij voelt. Je wil dat anderen dat ook zijn, dat ook voelen. Je hebt bijna medelijden met ze, omdat ze als het ware hun ogen niet open hebben, want anders zagen ze wel wat jij zag. Helaas wekt dat medelijden bij de niet-gebruikers natuurlijk juist irritatie op, maar die irritatie is alleen maar meer bewijs: ze hebben ijs in hun hart.

De fietsenstalling onder het station, waar geen ramen zijn en alles van beton is, was weer een heel andere wereld. De man die een nummertje aan mijn stuur niette begroette me. Hij ziet me vaak. Als hij bezig is staar ik altijd naar de tatoeage in zijn nek: een rode ballon aan een touwtje en ‘Let it go’ eronder. Daar staar ik naar, en ik denk aan de lange uren die hij daar werkt, zonder daglicht, en aan alle kartonnen bekertjes slappe koffie die hij drinkt, en hoe de laatste twee of drie bekertjes eigenlijk nooit meer smaken, maar je drinkt ze toch, want iemand biedt ze aan en zonder precies te weten waarom zeg je ja.

Nou ja, van die dingen.


Als je per se een abonnement op deze stukjes wil dan kan dat hier

so dutch

Dat ik in een stiltecoupé zat besefte ik pas toen een vrouw, een paar bankjes verderop, omhoog kwam en ‘Sssst, silence!’ deed tegen de twee mensen die naast me zaten, aan de andere kant van het gangpad. Ze wees hen daarbij op de letters op het raam.

De twee mensen waren gezellig in gesprek. Ze spraken Engels; hij een Amerikaan, zij uit India. Een jaar of veertig, waarschijnlijk expats werkzaam in de technische industrie van Eindhoven. Collega’s, onderweg naar Amsterdam. Ze waren lekker gaan zitten, hij had net zijn das wat losser getrokken, ze hadden het over eten en wat ze lekker vonden. Smalltalk.

Tot ze dus tot stilte werden gemaand. Ze keken elkaar verbaasd aan, een beginnende grijns op hun mond. ‘That’s so Dutch,’ zei de man. Even was het perfect stil in de coupé. Buiten zakte de zon achter weilanden en sloten, een roodgoude gloed op het water. Ik las mijn boek van Alan Watts.

De vrouw fluisterde iets, de man fluisterde terug, de vrouw fluisterde iets harder, de man met nog iets meer volume, en gaandeweg werd het weer een gesprek.

Lezen lukte me niet meer. Toen ik nog niet wist dat ik in een stiltecoupé zat was het geen probleem geweest. Het praten had me niet afgeleid, maar nu wel. Ik denk niet het praten zelf, maar het feit dát ze praatten, met een soort jij bent de baas niet-mentaliteit, een soort snoevende minachting, alsof de vrouw die hen tot stilte had gemaand een enorme zeikerd was geweest.

‘Excuse me,’ zei ik. ‘But I don’t know why you’re still talking.’ Ze keken me aan, afwachtend, van hun apropos gebracht. ‘That woman pointed out that this is a silence car. That’s so Dutch? What does that mean? Uptight? Everyone should just be allowed to talk in a silence car? What would be the point of the silence car? Isn’t it a wonderful thing, the silence car? Just one car to read, meditate or just look out the window in silence after a busy day at work? Yet you don’t get up, you don’t move to a regular car. No, instead you sit here talking and laughing like children in high school, mocking their teacher. Just move to a different car, for fuck’s sake.’

De vrouw keek weg. De man keek me nog even aan en snoof. Het klonk als een scheet en het impliceerde dat hij vanaf nu wel stil zou zijn maar dat ik, en zeker niet hij, de loser was.

Lezen lukte me daarna nog steeds niet. Mijn hart bonkte te snel en te hard. De atmosfeer leek elektrisch geladen. De stilte was verpest.


Abonneer je hier op deze stukjes. Koop mijn boeken.

15

Ik wilde het dit keer echt op z’n beloop laten. Gewoon maar zien. Niet steeds dat neurotische, controledrangerige. Als er in de bieb van Amstelveen maar tien mensen zouden zitten, nou, dan was dat maar zo. Het zei niets over mij, of over mijn boeken, of over het leven, of over de zin daarvan.

Een paar minuten nadat ik had besloten dat ik het op z’n beloop zou laten stuurde ik de bieb een berichtje: ‘En? Al aanmeldingen?’ Het antwoord: ‘Dag Henk. Het druppelt door. Nu vijftien.’ Ik dacht aan Tim Hofman, de tv-presentator die een dichtbundel schreef en voor wie de rijen tot ver buiten de boekhandels stonden. Terwijl ik toch echt knapper ben, en grappiger, en slimmer, en een hagedis heb die Oscar heet.

In de trein klampte ik me vast aan de woorden van de bieb: ‘Het druppelt door.’ Dus: vijftien, drup, zestien, drup, zeventien, drup, achttien, drup

Op het Stadsplein voegde ik me bij Elke Geurts, met wie ik af en toe een duo vorm omdat we in onze laatste boeken allebei over onze scheiding schreven. In de bieb werden we ontvangen door Harald, een tengere man met halflang haar die ons mee naar boven nam, waar stoeltjes stonden en enkele mensen al klaarzaten. Ik vroeg: ‘Hoeveel aanmeldingen inmiddels?’ Waarop Harald antwoordde: ‘Vijftien.’

Even voor aanvang ging ik plassen. Ik staarde naar mijn straal, die belletjes op het water maakte, en dacht zoals vaker aan de vissen, ergens, in een rivier, of een sloot, of de zee, die door mijn plas helemaal in de war zouden raken. Wikipedia: ‘Zweedse onderzoekers hebben ontdekt dat sporen van Oxazepam via menselijke urine in waterlopen terechtkomen. De blootgestelde vissen worden minder sociaal en stoutmoediger. Baarzen verlaten hun schuilplaatsen veel eerder, terwijl hun niet-blootgestelde soortgenoten zich verborgen hielden. De oxazepam-vissen bleken ook sneller te eten.’ Ik mompelde: ‘Oxazepam-vissen.’ 

Elke en ik droegen om beurten voor uit onze respectievelijke boeken. Sombere maar hopelijk toch ook wel mooie stukjes. Het ging goed, geloof ik. Het mooiste moment was toen Elke een stukje voorlas over een moment in bed met haar ex, nadat hij had gezegd dat hij niet meer van hield en dat het over was. ‘Gaan we nu niet meer samen in een graf?’ vroeg ze. (Ik parafraseer; haar boek heb ik uitgeleend.) Om er daarna dwingender aan toe te voegen: ‘Ik wil met jou in een graf!’ Er klonk gegniffel, en ook ik lachte, en Elke nu zelf ook. Maar zij lachte verbaasd. Het was alsof in die bieb plots de zon doorbrak. Ze keek me aan vanachter de katheder, ongelovig maar vrolijk, en zei: ‘Is dit nu ineens grappig geworden?’

Het was bevrijding, wist ik. Het was vooruitgang. Het was goed.


Doe jezelf een lol en abonneer je op deze stukjes, gratis dan wel betaald. Het kan hier

watts, 1966

Een tijdje geleden schreef ik over dat nieuwe boek van Yuval Harari, 21 lessen voor de 21e eeuw. Dat het me zo trof, zijn analyse van de technologische vooruitgang en, gelijk daaraan, de corrosie van oude pilaren als democratie en liberalisme, plus de dreiging van een ‘nutteloze klasse’: zij die door de automatisering geen werk meer hebben, dus zo’n beetje iedereen behalve de machtshebbers, de rijke elite en de zeer gespecialiseerden. Ik heb het boek niet uitgelezen; het maakte me te zwaarmoedig, te machteloos, ook al vermoedde ik dat de hoopvolle hoofdstukken nog komen moesten.

Hoe dan ook, ik legde hem weg en las een boek voor dummies over Hindoeïsme, en daarna, omdat ik de smaak van oosterse filosofie en spiritualiteit te pakken had, nam ik weer eens een boekje van Alan Watts ter hand. Dat lees ik nu: The Book On the Taboo Against Knowing Who You Are.

Watts stelt zelden teleur, maar zo helder en scherp als hij in dit boekje schrijft over bewustzijn, filosofie, fysica, ego, mystiek, het leven en de dood las ik hem niet eerder. Zo nuchter, oprecht, intelligent.

En visionair, bovendien. Dit is wat Watts schreef in 1966, zeker zeventien jaar voor de geboorte van het internet zoals we dat nu (ongeveer) kennen:

Increasing efficiency of communication and of controlling human behavior can, instead of liberating us into the air like birds, fix us to the ground like toadstools. All information will come in by super-realistic television and other electronic devices as yet in the planning stage or barely imagined. In one way this will enable the individual to extend himself anywhere without moving his body—even to distant regions of space. But this will be a new kind of individual—an individual with a colossal external nervous system reaching out and out into infinity. And this electronic nervous system will be so interconnected that all individuals plugged in will tend to share the same thoughts, the same feelings, and the same experiences. The tendency will be for all individuals to coalesce into a single bio-electronic body. 

Enfin, meteen kwam het boek van Harari weer in mijn gedachten op. Er was blijkbaar geen ontsnappen aan. Gelukkig heb ik naast de wc ook nog een bundel van A.L. Snijders liggen. Die schrijft gewoon over zijn afgelegen boerderijtje, ganzen, vrienden met motors, verdwaalde vreemdelingen die op zijn erf belanden, wandelingen door de velden. Ook dat is de werkelijkheid.


Kom op, abonneer je op deze stukjes. Mijn meest recente boek heet Berichten uit het tussenhuisje.

het is een nacht

‘We doen gewoon Guus Meeuwis,’ zegt degene die ik de leider noem. ‘Hoe heet dat ene nummer ook alweer?’ Een ander antwoordt: ‘Het is een nacht.’ De leider bevestigt: ‘Ja, die.’

Ik zie ze niet zitten; ze zitten verderop in de coupé. Met z’n zessen zo ongeveer. Studentes van een jaar of twintig. Ze willen een eigen tekst verzinnen op het nummer van Guus Meeuwis. Misschien hebben ze het vanavond al nodig; ik heb geen idee waarnaartoe ze onderweg zijn; ik denk een soort introductie; ik hoor iets over eten en een kroeg.

Er wordt veel gelachen, er is gêne. Er worden pogingen gedaan tot originele teksten. De meeste meisjes proberen iets en zeggen dan zelf al meteen: ‘O mijn god, dat is echt zó kut.’

Ze kennen elkaar niet heel goed, deze meiden. Dat merk je aan hoe ze tegen elkaar doen: amicaal maar gereserveerd; niemand vliegt uit de bocht of permitteert zichzelf een gewaagde opmerking of grap.

Degene die het meest aan het woord is, is de leider. Zoals in iedere nieuwe groep staat er een leider op. Soms meerdere, en dan is er strijd, maar in dit geval is het er maar eentje. Ik hoor haar stem aldoor. Ze stuurt het gesprek. De anderen schikken zich. Twee of drie anderen hoor ik ook relatief veel, en de rest maar amper. Ik vraag me af wat zij denken. Vinden ze de leider irritant, of voelen ze zich veilig in de schaduw? Maken ze zich zorgen over vanavond? Rillen ze bij het idee daar te staan, in die kroeg, met een A4’tje in de hand?

De leider is niet héél dwingend; haar leiderschap is als een spoor waar haar wielen als vanzelfsprekend in vastklikken. In zekere zin neemt ze de verantwoordelijkheid waar de anderen dat laten. Om niet te bazig te lijken, en sympathie op te wekken, ondermijnt ze zichzelf: ‘Wat een kut-idee is dit zeg.’ Ze weet dat de anderen niet met iets beters zullen komen. En het is maar schijn; ze heeft er hartstikke veel zin in.

Het is een ander meisje dat een zinnetje bedenkt waar iedereen blij mee is. Precies op de melodie: ‘Want wij zijn het mooiste jaar, acht leuke meiden, zo bij elkaar.’

In mijn buik kolkt het van de emoties. Mijn eerste reactie is hoon en spot. Cynisme. Maar dan borrelt er gelukkig ook compassie op. Ze maken er het beste van, die meiden. Zelfs de leider. Verdomme, als zij het niet doet, wie dan wél? Vervolgens stel ik me opnieuw de avond voor, en hoe ze daar zullen staan, met dat A4’tje trillend in hun handen, zingend uit de maat, sommigen onverstaanbaar, schaamrood op de kaken, ongemakkelijk lachend, de leider plots onzeker over haar rol. Mijn god wat wil ik er graag bij zijn. De plaatsvervangende schaamte voelen tot in mijn perineum.


Of je je ook kunt abonneren op deze stukjes? Maar natuurlijk! En ik schreef boeken. Zoek zelf maar even op.