mysterium tremendum fascinans et augustum

Ik kijk een Netflix dramaserie waar al tree seizoenen van zijn, maar die hier nog altijd onder de radar vliegt. Ik hoor er nooit iemand over. Het heet Shtisel en gaat over een orthodox joodse familie in Jeruzalem. Er wordt zowel Hebreeuws als Jiddisch in gesproken.

In de aflevering die ik gisteren zag komt de bejaarde moeder uit een coma. Ze herkent haar oudste zoon Shulem niet meer, terwijl juist hij zich de laatste jaren het meeste om haar heeft bekommerd. Wél herkent ze haar jongste zoon, Nukhem, die na een verblijf van vijftien jaar in Antwerpen pas nu weer komt opdagen en haar al die tijd niet gezien heeft. Dit zit Shulem uiteraard niet lekker. De twee broers krijgen, mede daardoor, onenigheid.

In één prachtige scène bevinden de twee broers—allebei al van middelbare leeftijd—zich allebei in het appartement van Shulem, maar ze weigeren met elkaar te praten. De ene staat in de huiskamer en de andere zit in de keuken, gescheiden door niets meer dan een dunne muur. Ze praten via hun respectievelijke zoon en dochter. ‘Zeg tegen je vader dat…’ De zoon en dochter—neef en nicht van elkaar—geven de boodschappen door en schieten in de lach.

Het is een heerlijke scène, door die wrokkige mannen, maar ook door het lachen van de (volwassen) kinderen; de band die ze daardoor meteen samen hebben, en hoe ze zich daarmee onderscheiden van die mannen. Het deed me denken aan mijn eigen jongens, die elkaar soms aankijken als ik boos ben en dan in de lach schieten.

Ik reflecteerde hierop toen ik gisteren, na die aflevering, in bad zat met een glas cognac. In geen jaren heb ik dat meer gedaan, een alcoholisch drankje meenemen als ik in bad ging. Daarom deed het me denken aan een avond vlak na mijn achttiende verjaardag, toen ik in bad zat met een bodempje van de Lagavulin, eveneens achttien jaar oud, die ik van mijn vader had gekregen. En nu komt het: ik rookte er ook een sigaar bij. Ik kan het me nu moeilijk voorstellen, maar toen deed ik dat echt: ik zat in bad met een glas single malt whiskey en een sigaar, op mijn achttiende, en deed alsof het niets bijzonders was. Ik was nu een volwassen man tenslotte.

Ik lachte. Gisteravond, bedoel ik. In bad met dat glaasje cognac (Baron Otard VSOP).

Toen de lach was weggeëbd staarde ik door de deuropening naar de trap die naar zolder leidt, waar ik slaap. Op de dagen dat ik mijn zoons heb staat daar iedere ochtend heel vroeg mijn jongste. Hij komt uit bed, staat onderaan die trap en zegt zachtjes: ‘Papa, ik ga naar beneden.’ Ik ben dan meteen wakker; hij heeft het nog nooit twee keer hoeven zeggen. En ik antwoord dan: ‘Oké, tot zo.’ Waarna ik nog een uurtje slaap.

Iedere ochtend dat hij er is gaat het precies zo. We spreken exact hetzelfde zinnetje uit. Dat vindt hij fijn; het geeft hem een gevoel van veiligheid en regelmaat. Ik kan me haast niet voorstellen dat het op een ochtend anders zal gaan, maar toch moet dat zo zijn; een jongens van zestien gaat niet om zeven uur onderaan de trap staan om kenbaar te maken dat hij naar beneden gaat.

Plots moest ik huilen. Niet echt met tranen, want dat is heel zeldzaam—al is het de laatste tijd minder zeldzaam dan vroeger—maar vanbinnen. Het kan zo snel omslaan: vreugde naar verdriet. Zo eenzaam voelde ik me ineens. Ik zou iedereen kwijtraken, wist ik. 

 


Leuk als je je abonneert op deze stukjes! Het is gratis

 

maeve brennan & appar

Ik weet niet of het me zal lukken, of hoe ik het precies moet aanpakken. Misschien is het een luchtkasteel(tje). Maar zo begint een stukje altíjd, als een vaag bouwwerk in de verte, als een luchtspiegeling. Pas als het klaar is kan ik zien wat het moest worden. Soms heb ik er vertrouwen in en weet ik zeker dat het me zal lukken, maar soms ook helemaal niet, en dit stukje, vandaag, behoort tot die laatste categorie. Ik wil twee citaten met elkaar verbinden, eentje uit Amerika en eentje uit India.

Ik lees de gebundelde stukjes van Maeve Brennan, een in 1993 overleden schrijver, werkzaam bij  het intellectueel verantwoorde The New Yorker. Soms zijn ze heel saai, haar stukjes, maar dan ineens schitteren ze. Ze schrijft over het kleine, het subtiele; vooral over de mensen die ze ziet op de straten van New York.

Eén stukje eindigt ze zo: What we are waiting for—a respite, a touch of grace, something simple that starts us wondering. I am reminded of Oliver Goldsmith, who said, two hundred years ago, ‘Innocently to amuse the imagination in this dream of life is wisdom.’

Die alinea volgt op een lange, vrij saaie observatie en lijkt er haast los van te staan. Maar hij vat het heel mooi samen, en niet alleen dat stukje, maar eigenlijk élk stukje, en niet alleen dat van haar maar dat van iederéén, en iedere roman, en ieder schilderij, etc. Waar we altijd op wachten, waar we altijd op hopen: respijt, genade, verwondering. En dan dat citaat van Goldsmith: speels de droom die dit leven is ondergaan; het leven dat we dromen.

Naast die bundel van Brennan lees ik ook een boekje uit de Elementaire Deeltjes reeks. Ik kocht er drie (aanbieding: drie voor twee). Eentje over God, eentje over niets (wat is niets?) en eentje over populisme. Nu lees ik die over God. Daarin kwam ik een citaat tegen van ene Appar, een dichter uit het India van de zevende eeuw. Hij omschreef God als volgt:

Onze enige taak is om in vreugde de lof

te zingen van hem die zich openbaart

als het bewegende en het stilstaande,

als aarde, water, vuur, wind en hemel,

als het kleine en het grote,

als moeilijk te bereiken, maar toch makkelijk verkregen

door zijn geliefden,

als de hoogste werkelijkheid, onmetelijk groot,

als oneindige Sadāśiva, als jij en ik.

Toen ik dat las dacht ik: ja, dát is het. Dat is de beleving en de bron en de essentie van de droom waarover Goldsmith schrijft. En het is het respijt en de genade en de verwondering van Brennan. Het is wat ze zag in al die mensen en al die straten in New York: het bewegende en het stilstaande, het kleine en het grote, etc.

Dus eigenlijk gaan alle stukjes en alle boeken en alle kunst over God.

Kijk, en dit bedoel ik dus. Dat ik hierop zou uitkomen, daar had ik zelf ook geen idee van.

 


Abonneer je vooral op deze stukjes. Gratis. Hier

arme oscar

Het is nu de derde keer dat ik met mijn hagedis Oscar de lente en zomer inga. Inmiddels kan ik zijn gedrag beter lezen. Hij verschuilt zich de laatste dagen steeds vaker; hij is slomer en soms zelfs lethargisch. De eerste keer dat ik dit meemaakte ging ik met hem naar de dierenarts. Hij kreeg zelfs antibiotica, die ik hem toediende door met een spuit zijn bek open te wrikken. Zijn baard werd pikzwart van de stress (daarom noem je het een baardagaam).

Wat bleek? Hij ging gewoon met winterslaap. Zijn voorouders komen uit Australië en blijkbaar leeft hij naar de Australische klok. Oscar gaat langer met winterslaap dan de meeste van zijn soortgenoten. Sommige doen zelfs helemaal niet aan de winterslaap. Oscar zit vijf tot zes maanden onder een stuk hout. Hij eet en drinkt niks.

Maar tijdens de overgangsperiode, waar we nu inzitten, komt hij af en toe nog naar buiten. Dan ga ik snel sprinkhanen voor hem kopen, waarvan hij er misschien één of twee eet, alvorens zich weer terug te trekken. Dan zit ik met een stuk of acht sprinkhanen opgescheept. Ze zitten in een Curverdoos met een stukje appel. Na een tijdje gaat dat aan me knagen en laat ik ze los in de tuin. Dat voelt goed. En dan komt Oscar weer te tevoorschijn en moet ik opnieuw naar de dierenwinkel. Ik probeer voor iedereen het juiste te doen.

Toen ik hem net had—hij was nog een klein hagedisje—zorgde ik niet voor de sprinkhanen. Ik liet ze in het kleine plastic bakje zitten waarin de dierenwinkel ze verkoopt. Ik gooide ze in het terrarium alsof het niet meer dan voedsel was. Oscar was het dier, de sprinkhanen waren het voedsel. Tot ik tijdens een nacht onder invloed van ayahuasca door een reuzensprinkhaan op het matje werd geroepen. Een grote, schimmige gestalte was het. Hij pinde me vast, met scherpe poten, tot ik inzag dat sprinkhanen even belangrijk als hagedissen waren, en zelfs even belangrijk als ik. Pas toen ik beloofde hen zo te zien, en beter voor hen te zullen zorgen, liet hij me los. Sindsdien heb ik die Curverdoos, en geef ik ze verse appel te eten.

Als de zon schijnt en het is warm, en Oscar verschuilt zich nog niet, haal ik hem soms uit zijn bak en ga ik met hem in de zon zitten. Er gebeurt dan iets met hem. Hij hoort en ziet de bijen die op de blauweregen afkomen. Het zonlicht fonkelt in zijn ogen. Het groen van de planten betovert hem. Ik word er altijd heel verdrietig van, zeker als ik hem daarna weer terug in zijn bak met kunstlicht zet.

Daarom heb ik dat deze lente nog niet gedaan, denk ik. Het is als in dat programma dat ik vaak met mijn oudste zoon kijk: Steenrijk, straatarm, op SBS6. Een heel arm gezin woont een week lang in het huis van een heel rijk gezin en krijgt het bijbehorende weekbudget te besteden. Bijna altijd barsten ze in tranen uit wanneer ze zien hoeveel geld er in het potje zit. Ze huilen als ze eindelijk eens uit eten kunnen. Na die week moeten ze terug naar hun eigen, armoedige huis en schamele weekbudget en schuldsanering. Op het einde van het programma, als hun wordt gevraagd hoe ze het vonden, zeggen ze bijna altijd dat geld niet gelukkig maakt. Ze zeggen dat tegen zichzelf. Ze moeten daarin geloven, anders blijft er niets van hen over. Dat zie je in hun ogen, en dat zie ik in Oscars ogen als ik hem terug in zijn terrarium zet.

 


Leuk als je je op deze stukjes abonneert! Het is gratis

ernest hemingway is gecanceld

Zojuist mailde ik de eerste versie van Ernest Hemingway is gecanceld naar Nijgh & Van Ditmar, mijn uitgeverij. Ik schreef deze roman in drie maanden tijd, van begin februari tot gisteren. Een corona-baby dus. Hij telt nu 73.076 woorden.

Maanden liep ik al rond met het gevoel, en met het thema, maar ik kreeg er de vorm maar niet voor gevonden. Het ging ook niet zo goed met me. Toen kreeg ik heel erg de griep, zo rondom Carnaval, en keek ik door mijn koortswaas alle films van regisseur Yorgos Lanthimos. Die films bleken de sleutel tot mijn vorm. Ik slikte toen inmiddels ook al een paar weken een nieuw antidepressivum. Mijn herstel van de griep liep parellel aan mijn geestelijke herstel. Toen ik eenmaal zag hoe het moest, hoe ik het zou gaan doen, schreef ik in een manie. Er was een dag bij waarin ik vierduizend woorden schreef. Laten we hopen dat er na die manie, nu ik het boek af heb enevenmet lege handen sta, geen nieuwe val volgt.

De publicatie staat gepland voor januari, 2021. Mits de uitgever het een goed boek vindt natuurlijk. Misschien zeggen ze wel: schrijf maar een nieuwe. Een andere uitgever heeft dat ooit eens tegen me gezegd, nadat ik een boek had ingeleverd dat Het grote omgaan heette. Dat boek is er nooit gekomen, en nee, ik ga er niet alsnog iets mee doen, al vindt vooral mijn moeder dat heel erg zonde, want die vond het natuurlijk weer eens heel goed. (Sorry, mam.)

Ik moest ook een voorlopige flaptekst aanleveren. Die copy-paste ik hieronder even, want dan hebben jullie meteen een idee van het verhaal:

De fotocurator in een museum voor moderne kunst is veertig geworden en begonnen aan zijn vierde antidepressivum. Met angstremmers bezweert hij de zorgen om zijn deeltijd puberzoon evenals het ambivalente liefdesverdriet om zijn succesvolle ex-vriendin.

Zijn expositie over Ernest Hemingway krijgt steeds meer kritiek: de foto’s zijn politiek incorrect en dieronvriendelijk. Ondertussen wordt hij verteerd door schuldgevoel en radeloosheid om Elise, de jonge vrouw die door hem tot aan haar kin verlamd raakte en nu het ondenkbare van hem verlangt.

Maar echt ingewikkeld wordt zijn leven pas wanneer er zich twee dakdekkers melden—vader en zoon—die hem met veel meer willen helpen dan alleen zijn lekke dak.    

Masculiniteit, onmacht en culturele veranderingen: de thema’s die Van Straten aansneed in zijn maatschappelijk beladen thrillernovelle Kwaad bloed komen wederom aan bod in zijn roman Ernest Hemingway is gecanceld. Extra lagen in dit boek zijn depressie, liefdesverdriet en vaderschap.

Ernest Hemingway is gecanceld is het tweede deel in een thematische trilogie over de echte dan wel ingebeelde val van de man.

Zoals ook in de tekst hierboven staat verschijnt eerst in juni Kwaad bloed nog. Dat is de novelle die ik schreef als Brabants boekgeschenk, onder de titel Van Gogh sneed hier nooit een oor af.

Is het toeval, vraag ik me nu af, dat het na zoveel dagen zon plots regent als ik mijn donkere, gure boek inlever?

Niet over nadenken. Nee, ik moet door. Wat me te doen staat is me duidelijk. Ik heb de uitgever meteen om een nieuwe contract gevraagd, voor het volgende boek. Niet stoppen nu. De duivel geen kans geven. De storm voorblijven. 

 


Leuk als je je op mijn stukjes abonneert. Het is gratis.

spijkermatje

Midden in de huiskamer lag ik met mijn blote rug op mijn nieuwe spijkermatje aan Koningsdag te denken, die dit jaar niet doorgaat, en hoezeer ik die dag altijd gehaat heb.

Ik lag op het gedeelte van de vloer waar in de namiddag een brede strook zonlicht valt. Dat doe ik expres: ik ga op dat pijnlijke matje in de warmte liggen, zodat ik een beetje begin te gloeien, en niet meer weet wat door de pijn komt en wat door de warmte, en wat gewoon van mezelf is. Het idee van zo’n matje is dat de pijnprikkels voor endorfine zorgen, dat het je ontspant en dat het gezond is. Weet ik veel; ik trap in bijna ál die health-advertenties op Instagram.

Maar goed, ik had het over Koningsdag. De drukte buiten, ik trok die nooit. De kraampjes afgaan met m’n jongens. Muziek aan alle kanten. Onrust, stress, ongemak. Te vroeg beginnen met biertjes drinken uit slappe plastic bekers. Ergens voor één of ander podium staan. Heel even genieten van de roes, om dan te dronken te worden, of iets te eten en de kater al voelen opkomen. Ik ben somber en voel me verloren. 

Er waren jaren dat ik thuisbleef, in mijn eentje, maar dan hoorde ik nog steeds muziek en had ik toch het idee dat ik iets miste, of ergens moest zijn, waar ook mijn vrienden waren. Dus ook dat bood geen respijt. Ik kon er echt tegen opzien, die dag. Dat is toch idioot? Dat je daadwerkelijk een soort weerzin en spanning voelt op de dag voorafgaand aan een feestdag?

Zo lag ik op dat spijkermatje te peinzen. En mezelf weer eens een beetje te haten. Ik voel me soms zo’n wrek, zo’n spelbederver, zo’n kribbige oude ziel. Wie wil er nou zo iemand? Wie wordt daar nou verliefd op? Kom maar op met die spijkers; duw ze nog maar wat dieper mijn vlees in.

Maar als je toch op zo’n matje ligt, en gezond wil worden, dan kun je net zo goed een beetje zelfcompassie beoefenen.

Dus dat probeerde ik. Ondertussen luisterde ik naar Post Malone, een popster uit Amerika. Ik luister de laatste weken niets anders meer. Ik weet niet wat het is; zijn muziek geeft me energie; er zit een zekere bravoure in die toch ook liefdevol is. Op mijn spijkermatje lag ik met hem mee te zingen toen dit zinnetje voorbijkwam: Everything came second to the benzo. Dat kende ik, dat gevoel. Het woordje benzo staat voor benzodiazepine, een verslavende angstremmer. Die periode had ik ook gehad. Meerdere perioden zelfs. Maar dat was verleden tijd en dat was toch wel iets goeds, daar mocht ik misschien toch wel een beetje trots op zijn, op mijn spijkermatje, op de vloer van mijn huiskamer, in het zonlicht, één dag voor de Koningsdag die niet doorging.

 


Schrijf je HIER in op mijn stukjes. Je krijgt ze dan automatisch en gratis per mail.