like a werewolf

Er is een citaat dat om de zoveel tijd weer in me opkomt, al sinds ik het las. Het komt uit een boek van Hunter S. Thompson, getiteld Hell’s Angels, over zijn tijd met die beruchte maar toen nog relatief onbekende motorbende. Het citaat is als volgt:

It was always at night, like a werewolf, that I would take the thing out for an honest run down the coast.

Het ‘ding’ waaraan hij refereert is zijn eigen motor, een notoir onbetrouwbare en gevaarlijke Vincent Black Shadow, die hij kocht in zijn tijd met de Angels en hield nadat hij afscheid van hen had genomen (en genoeg materiaal voor zijn boek had natuurlijk). Het citaat staat op de laatste pagina, zijn avontuur met de motorbende zit erop, maar af en toe, ’s avonds laat, in het donker, als een weerwolf, racet hij ermee langs de kust. Wat het voor mij zo’n heerlijke zin maakt is het woordje honest. Daar zit zo veel in. Zonder dat woordje zou het een veel minder krachtige en wezenlijke zin zijn. Ik ga dat niet uitleggen; je moet daar zelf maar even over mijmeren.

Ik dacht weer aan dit citaat toen ik een paar dagen geleden om 21:46 zonder licht van het huis van mijn ex naar mijn eigen huis reed. Ik wilde een boek halen dat daar eerder die dag bezorgd was. Pas toen ik de straat al was uitgereden dacht ik aan de avondklok. Meteen doofde ik de lampen. Als een schim reed ik, stapvoets, over de gladde, besneeuwde, compleet verlaten straten. Als een weerwolf dus. Alleen wáren de straten niet verlaten. Niet echt. Andere weerwolven haastten zich te voet langs de donkere gevels, snel naar huis of naar een ander adres. Een fietser racete bij me vandaan. Op een straathoek hield een jongen in een capuchon me argwanend in de gaten. Ik ben blij dat ik het heb ervaren, de straat na de avondklok.

Uiteraard dacht ik hierdoor ook weer aan de dood. (Uiteraard!) Want zoals ik langs de huizen reed, zo loopt ook Magere Hein langs de huizen, in zijn benige handen een clipboard met daarop de namen.

In het bos, de volgende dag, dacht ik er ook weer aan. Een vrouw kwam me tegemoet. Ze trok een slee vooruit en op die slee lag een kind onder dekens. Het kind bewoog niet. Toen we elkaar passeerden zag ik het kind liggen met gesloten ogen en een bleek gezicht. Ik dacht: hier trekt een moeder haar dode dochter, voorwaarts, langs de witte bomen, op weg naar een laatste rustplaats. An honest run.

 


Leuk als je je op deze stukjes wilt abonneren. Het kan HIER en het is GRATIS.

vrieskou

Mijn jongste zoon en ik liepen naar huis en stopten bij de voortuin die geen voortuin is maar een vijver. De bewoners van het huis verwijderden alle stenen, en alle aarde, en vulden de totale oppervlakte met water. Om bij de voordeur te komen moet je over een houten bruggetje. Het is een rijtjeshuis; in de straat zijn alle voortuinen netjes omheind, meestal met een betonnen muurtje, en dan is er dus ineens een grote bak water. Er staan geen planten eromheen, er zijn geen grasgroene overs. Het is een grote vierkante bak met water. Eroverheen is een net gespannen waaraan nu ijs kleeft. Mijn jongste en ik rustten met onze armen op het betonnen muurtje en staarden in het koude, heldere, donkere water. De koikarpers—minstens dertig stuks, in alle maten en kleuren—dreven bewegingloos op verschillende diepten, als onderzeeërs in afwachting van orders.

‘Ze zijn in een soort winterslaap,’ zei ik.

‘Ja,’ zei mijn zoon. Meer hadden we er niet over te zeggen.

Het is wat ik mooi vind aan vrieskou: hoe alles verstilt, soms tot het punt dat het niet meer in leven lijkt te zijn, zoals kikkers die diep in de modder zitten met amper nog een hartslag; hoe moleculen elkaar vasthouden in plaats van elkaar los te laten (denk aan een hondendrol in de sneeuw, die je niet ruikt, en dan aan een hondendrol in de zomer, die zijn moleculen met bakken tegelijk in de lucht gooit). Het heeft iets hygiënisch, de vrieskou.

(Mocht je nu vrezen dat ik, net als gisteren, de metafysische weg insla: geen zorgen, ik beheers me. Na het stukje van gisteren had ik plots zeven abonnees minder. Het volk heeft gesproken.)

In het bos is het nu schitterender dan ooit. Ook daar is alles verstild. Ik zie amper mensen. De gebieden buiten de paden hebben geen voetafdrukken; de volmaaktheid strekt zich uit tot in mijn eigen geest, waar iedereen altijd maar doorheen banjert en afdrukken achterlaat. In het zonlicht fonkelt de sneeuw, verblindend, en als ik er toch naar kijk zie ik miljoenen kleine diamantjes schitteren. Gek genoeg zijn de vogels juist helemaal niet stil; die voelen de lente al, en ik, door hen, ineens ook. Langzaam word ik warmer; het wandelen doet de motor draaien. Ergens moeten hier ook de Schotse hooglanders zijn, maar ik zie ze niet. Ik vind het bijna mooier om ze níét te zien dan wél; ik waan me dan Peter Matthiessen in Nepal, in de jaren zeventig, op zoek naar de sneeuwluipaard die hij nooit eentje te zien kreeg. De onzichtbare aanwezigheid ervan—wéten dat zo’n dier er is, dezelfde ruimte ermee delen maar het niet kunnen zien—heeft iets magisch.

Ik probeer mijn aandacht erbij te houden. Waarbij, vraag je? Dat doet er eigenlijk niet toe. Nu voel ik de vermoeidheid in mijn benen, nu het zeuren van mijn onderrug, nu hoor ik de vogeltjes, nu mijn eigen ademhaling. Natuurlijk dwalen mijn gedachten af. Het boek dat ik schreef en het boek dat ik wil schrijven of misschien juist helemaal niet wil schrijven. Het maatschappelijk geëngageerde YouTube-filmpje waarover ik me opwind. De vrouw die ik te leuk vind. Mijn oudste zoon op zijn zolderkamer, voor zijn laptop, afgezonderd, dag na dag.

Maar ze sleuren me niet mee, die gedachten. Ze zijn de baas niet. Want wat ik al zei: dat is wat ik zo mooi vind aan de vrieskou. Ook gedachten worden trager. Als onderkoelde vissen liggen ze diep in de ijskoude vijver. Af en toe beweegt er eentje een vin, alsof hij zich een bestemming herinnert, maar die beweging is te traag, meer als een kieuw die even opengaat om wat zuurstof toe te laten.

‘Ja,’ zei mijn zoontje. Meer had hij er niet over te zeggen. Toch bleef hij er lang naar staan kijken.

 


De referentie aan Peter Matthiessen betreft zijn bekende boek met reismemoires: The Snow Leopard. Je kunt je HIER op deze stukjes abonneren.

onaanraakbaar

In een aflevering van Tegenlicht was psychiater en filosoof Damiaan Denys aan het woord. Het onderwerp van de aflevering was eenzaamheid, met name in relatie tot Covid-19, maar ook tot social media en het moderne leven in het algemeen. Denys sprak daarbij over een inherente eenzaamheid die wij allemaal hebben, los van de omstandigheden. In feite is het een solipsistisch soort eenzaamheid: we zitten opgesloten in ons eigen bewustzijn, we kunnen nooit werkelijk bij de ander binnen kijken, voelen wat diegene voelt. Noch kunnen we de ander werkelijk bij ons binnen vragen, hem of haar uitnodigen om bij ons binnen te komen, écht bij ons binnen te komen, en te ervaren hoe het hier is.

In Antkind, de (tot dusver) enige roman van filmscenarist Charlie Kaufman, las ik een passage met ongeveer dezelfde strekking. Hierin wordt het fenomeen echter meer benaderd vanuit het perspectief van de natuurkunde, op moleculair niveau:

We can never truly touch another thing. Touch is what we feel when two things repel each other. We are all isolated, even from ourselves. Our own molecules don’t even touch each other. Since I can’t be touched, I can’t be hurt. True love is not denied only to me, but to everyone, to everything. I am not alone in being alone. This comforts me.

(Even tussendoor: vaak als ik een passage citeer dan is die passage Engelstalig, dat weet ik. Ook weet ik dat sommigen mijn stukjes met zulke citaten erin links laten liggen. Ik weet dat dit geldt voor mijn vader, en voor nog een abonnee, maar er zullen er vast meer zijn. Maar goed, mijn zoons kiezen ook wel eens een smaak Ben & Jerry’s ijs uit waarvan ik denk: eten jullie die maar op, ik laat deze aan me voorbijgaan.)

Enfin, je zult dus om minstens twee redenen altijd enige mate van eenzaamheid ervaren: het solipsistische argument van Denys en het natuurkundige (tevens natuurlijk symbolische) argument in de roman van Kaufman.

Het zien van de aflevering van Tegenlicht en het lezen van de passage uit Antkind deed ik op één en dezelfde dag. Ik bevond me in de slaapkamer van mijn oudste zoon, waar ik, in verband met de verbouwing, vaak bivakkeer. Eenzaamheid hier, eenzaamheid daar. Ik appte met een vriendin. Het ging goed met haar, schreef ze. ‘Al ben ik wel eenzaam tot op het bot, maar wie niet?’ Het was een dag, kortom, waarop alles zich aan het thema leek te conformeren.

Maar.

Ik keek nóg een aflevering van Tegenlicht, over technologische vooruitgang als religie, ook wel dataïsme genoemd, wat ik een prachtige term vind. Denk aan artificiële intelligentie en singulariteit, een principe dat stelt dat artificiële intelligentie onherroepelijk bewustzijn zal ontwikkelen en ons voorbij zal streven, tenzij we onszelf uploaden in de cloud en zodoende geavanceerde versies van onszelf worden. Ik kan je zeggen: in eerste instantie maakte deze aflevering het gevoel van eenzaamheid er bepaald niet kleiner op. Maar er is, zoals je hebt kunnen zien na de voorgaande alinea, een maar.

Aan het woord kwam de briljante wetenschapper en denker Bernardo Kastrup, een Braziliaan werkzaam in Veldhoven, hier vlakbij. Hij is een vooraanstaande informaticus. Voor hem is het idee van technologie die bewustzijn voortbrengt een onmogelijkheid. Het stamt voort uit het idee, zegt hij, dat bewustzijn in ons brein wordt gecreëerd of opgewekt; het brein als computer van vlees en bloed. Kastrup claimt het omgekeerde: bewustzijn brengt materie voort, brengt de wereld voort. Dit idee kende ik al uit het boeddhisme—de wereld als projectie en pas dán als waarneming—maar Kastrup weet het wetenschappelijk te onderbouwen. De laatste inzichten in de aard van de werkelijkheid, zoals ondervonden in de kwantumfysica, wijzen in deze richting. Daarnaast is de neurowetenschap steeds meer geneigd te erkennen dat het bewustzijn niet door de hersenen wordt gegenereerd. Als een brein geen bewustzijn kan ‘maken’, hoe kan een computer het dan?

De gehele kosmos als onlosmakelijk onderdeel van het bewustzijn, een idee dat tot dusver was voorbehouden aan spirituele types, maar nu dus ook door wetenschappers wordt beweerd. In de Zen-traditie, waar ik nu toevallig weer over lees, is er geen verschil tussen de waarnemer en het waargenomene; de twee creëren samen de werkelijkheid: de ervaring van het hier en nu zoals we die zien en voelen ontstaat alleen sámen en alleen tegelijkertijd.

Je ziet waar ik naartoe wil?

Als wij allemaal bestaan in elkaars bewustzijn, dan kunnen we elkaar wél aanraken. Dan kunnen we elkaar niet níét aanraken. Laat me, met die stelling gedachten, een stukje van dat eerdere citaat even aanpassen: True love is not granted only to me, but to everyone, to everything. I am not alone, I am not seperate. This comforts me.

Maar ach, misschien is het allebei waar: altijd eenzaam en nooit eenzaam. In de Zen-traditie is dat geen probleem; als iets géén paradox is, is het hooguit maar gedeeltelijk waar.

 


De afleveringen van Tegenlicht zijn terug te kijken op de website van de NPO. Ze heten Alleen verbonden en Technologie als religie. Je gratis abonneren op mijn stukjes doe je HIER

zonnige sterfdag

Door het huiskamerraam van de woning van mijn ex, waar ik periodiek een paar dagen voor onze zoons zorg, zie ik hoe bij een huis hiertegenover een overleden man op een brancard naar buiten wordt gedragen. Geen noodgeval; de dokter zag ik eerder op de dag al naar binnen gaan; het was al gebeurd. Geen noodgeval betekent natuurlijk niet: geen tragedie. Er was geen haast bij, geen nood; dat is wat ik bedoel. Hij was al oud, geloof ik. Ook daarmee wil ik niet zeggen dat het niet erg is. Ik weet niet hoe erg het is; ik weet niets van de situatie. Ook weet ik niet of Covid er iets mee te maken had.

Wat ik wel weet is dat de zon schijnt. Juist vandaag. Als het een dierbare van mij was geweest, die vandaag was overleden, dan zou ik me dat voorgoed herinneren. Die ene droge, zonnige dag tussen al die grijze, natte dagen. Die grijze, natte dagen tijdens de lockdown. Die grijze, natte dagen die ons gevangen hielden in onze huizen, waar we almaar somberder en gefrustreerder werden. En toen ineens, vandaag, die zonnige dag, die zei: snel, ga naar buiten, het kan alleen vandaag, het moet vandaag. En dat die dierbare van mij dan inderdaad vandaag naar buiten ging, maar overleden, op een brancard. Dat zou me bij blijven.

Zelf ben ik vanochtend ook naar buiten gegaan. Een flink stuk gefietst. Ik probeerde ervan te genieten, maar dat was niet makkelijk. Ik dacht steeds: dit kan alleen vandaag, dit moet vandaag, morgen zit ik weer opgesloten. Fietsen in de regen en kou is niet fijn. Boswandelingen, die maak ik ook met regen, maar dat is een nogal trieste onderneming, de bomen kaal en gebogen, mijn voeten weggezakt in de modder, herhaaldelijk mijn neus moeten leegblazen. Maar goed, ik heb toch weer bewogen, er heeft zich bloed verplaatst, ik leef nog.

Mijn jongens voelen de behoefte überhaupt niet. Die moet ik naar buiten sturen of meenemen als ik naar buiten ga. Mijn jongste moet van mij zometeen boodschappen doen. Donderdagavond is onze vaste pizza-avond. ‘Maar ik weet niet welke pizza jullie altijd hebben,’ zei hij net, doelend op de pizza’s van mij en mijn oudste. Altijd die tegenwerpingen, die obstakels; ik  wil gewoon dat ze even naar buiten gaan. ‘Maar mijn fijne schoenen liggen in het andere huis.’ ‘Maar mijn vriendje komt zo online en dan spelen we samen Roblox.’

Nou ja, goed… We leven. Ondertussen wordt mijn huis verbouwd. Investeren in de toekomst is dat. Ik moet ook gewoon weer aan het werk, dat weet ik, maar het gaat zo niet, ik heb geen eigen plek, mijn jongens hangen om me heen, ik heb geen rust, ik beweeg te weinig, er is te veel regen, mijn brein blijft steeds aan YouTube-filmpjes plakken. De derde golf komt eraan, zegt Rutte aldoor in mijn hoofd. De derde golf, de derde golf. Welja. Steeds meer bekruipt me het gevoel van: dit is het nieuwe nu. Het voelt inmiddels zo permanent. Ja, ik weet: alles komt in golven. De regen, de somberte. De liefde, het verdriet. Opstaan doe je met een golf van energie, gaan slapen doe je met een golf van vermoeidheid. Morgen weer nieuwe golven. Golven aan de horizon. Maak je klaar. Blijf binnen. Ga naar buiten.

De man hiertegenover is klaar met golven. Hij ging voor de laatste keer naar buiten. In de zon. Alsof de regen zei: vooruit, we laten die man er even door.

 


Je kunt je op deze stukjes abonneren. Dat is heel eenvoudig en ook nog gratis. Het kan HIER

mijn geschiedenis van curaçao

Ik was bij iemand op bezoek (mondkapje voor, mijn hele lichaam gewikkeld in bubbeltjesplastic, een motorhelm op, blauwe ziekenhuisjasjes om mijn schoenen) die me vertelde over een ex-vriendje genaamd Jan, een Antilliaan. Dat we erover kwamen te spreken was omdat we het over voornamen hadden. Jan klinkt zo Hollands, maar er zijn dus ook Antillianen genaamd Jan.

Het was vanwege dit gesprek dat ik, in de auto terug naar Eindhoven, dacht aan alle banden die ik heb met Curaçao. Het is toeval, maar er zijn drie pijlen die wijzen van mij naar daar.

De eerste pijl is mijn vader. Zijn vader, mijn opa, werkte voor de Koninklijke Nederlandse Petroleum Maatschappij, die later Shell zou gaan heten. Als chemicus kreeg hij een baan bij de raffinaderij op Curaçao. Mijn vader bracht op het eiland zijn kindertijd door. Mijn opa en oma plaatsten hem expres niet op een witte school voor expats, maar op een reguliere school, waar hij zo’n beetje het enige witte kind was. Hij werd gepest, ze noemden hem macamba koeli berde, wat zoiets betekent als: kouwe blanke bleekscheet. Kregen ze hem kwaad genoeg, dan riep hij terug: negroe stinki. Het was echter geen verschrikkelijke kindertijd, geloof ik. Veel ruimte, veel zon.

De tweede pijl is mijn tante, de zus van mijn moeder. Zijn trouwde met een Antilliaan en verhuisde naar het eiland, waar ze nog steeds wonen, met heel veel honden. Drie kinderen kregen ze, twee zoons en een dochter. Het was niet vaak dat ze naar Nederland kwamen, en dat ik ze zag, maar als dat er van kwam dan was dat heel bijzonder. Ze waren mijn neven en nicht, maar ze hadden een ander kleurtje. Ik weet dat mijn tante vaak klaagde over het eiland, dat het haar te heet was, dat ze terug naar Nederland wilde, maar dat is nooit gebeurd.

De derde pijl is mijn oom. Of eigenlijk niet echt mijn oom, maar de schoonbroer van mijn overleden stiefvader. Getrouwd, dus, met de zus van mijn stiefvader. Hij opende op Curaçao een advocatenkantoor. Met zijn gezin verhuisde hij ernaartoe. Voor één dollar kocht hij een vervallen landgoed, een nationaal momument vlakbij de zoutpannen, en liet dat helemaal opknappen, om er vervolgens te gaan wonen. Het was een voormalig koloniaal landhuis met kleinere slavenhuisjes erbij. De locatie had te maken met zoutwinning.

Tijdens de restauratie van die gebouwen was ik er toevallig op vakantie. Dat had dan weer te maken met het feit dat mijn moeder (dus misschien een vierde pijl?) bij die oom en tante was ingetrokken als nanny, om voor hun vier kleine kinderen te zorgen. Ik was een jaar of zestien toen ik daar meehielp met slopen en schilderen, waarmee ik een duikcursus verdiende. Zo rond het middaguur gingen al die werklui in de schaduw liggen slapen, met een pet over hun ogen. Ik probeerde dat ook, maar mij lukte het niet. Te onrustig, te Noord-Europees.

Daarnet, tijdens het schrijven van dit stukje, dus echt zojuist, belde mijn vader me. Even ervoor had ik hem een berichtje gestuurd: ‘Hoe noemden ze jou op de lagere school ook alweer, en hoe noemde jij hen?’ Hij stuurde me het antwoord. Maar toen, dus nu net, belde hij om te zeggen dat ik er geen ‘raar stukje’ van moet maken, dat hij nog maar een kind was toen hij dat racistische scheldwoord gebruikte. Ik zei hem dat mijn lezers dat heus begrijpen. (Toch?)

Maar goed, daar dacht ik dus over na, in de auto onderweg naar huis. Ik ben er zelf drie keer geweest, op Curaçao. Omdat mijn moeder er was. Ga ik er ooit nog naartoe terug? Ik denk het niet. Ik vond het een leuke, maar ook enigszins ongemakkelijke plek.

Mijn mooiste herinnering aan Curaçao is de volgende. Mijn oom en tante (van de kant van mijn stiefvader) hadden een groot zwembad. Bijna dagelijks trof ik daarin zeker één of twee kleine groene leguanen aan. Jonkies nog. Waarschijnlijk wilden ze drinken en vielen ze erin. Wat me voor altijd bijblijft is hoe ze niet wild zwommen, niet spartelden, maar stil op de bodem zaten. Waarschijnlijk onderkoeld, maar wel nog in leven. Ik dook ernaartoe, pakte ze in mijn handen, zwom naar boven en hield ze in de zon tot ze waren opgewarmd en weer in beweging kwamen.

 


Denk je nu: ik zou deze stukjes wel automatisch in mijn mailbox willen ontvangen? Aarzel dan niet en klik HIER