aardbeving in kleedkamer

Twee Indische mannen van middelbare leeftijd praten in de kleedkamer van de sportschool. Ze hebben het over de recente aardbevingen aldaar. De chaos en de ellende. Ze hebben er familie. Ze praten kalm terwijl ze zich aankleden, hun haar nat van het douchen.

De ene man vertrekt dan. De andere zit op het bankje en trekt zijn schoenen aan. Hij praat nog. Het gesprek heeft zich – ik weet niet precies hoe – verplaatst naar mij en een andere, witte man. En ineens – ik weet wederom niet precies hoe – gaat het over moslims en christenen.

De Indische man is een christen, vertelt hij. Een minderheid in Indonesië. (Leden van zijn familie zijn een minderheid, althans, want zelf is hij hier geboren.) Maar nu het land opgeruimd moet worden, heropgebouwd moet worden, nu er dingen georganiseerd en geregeld moeten worden, nu er hard moet worden gewerkt, morgen de christenen dat natuurlijk weer opknappen. ‘Nu hebben ze ons nodig.’ Een wijsvinger begeleidt zijn linkerhiel de glanzende, leren schoen in. ‘Maar zodra wij de boel hebben opgelapt zijn ze weer klaar met ons en worden we opgejaagd en verdreven of vermoord.’ Hij weet dit omdat het hem is verteld door familieleden. 

Ik had deze wending niet zien aankomen en ik knik alsof ik het begrijp. Hij trekt zijn tweede schoen aan. De witte man zegt dingen als ‘Het is niet normaal’ en ‘Daar dus ook al’. De twee lijken elkaar te hebben gevonden. Ik ben aangekleed en heb mijn jas al aan. Ik geloof niet dat ik iets aan het gesprek heb toe te voegen, dus ik zeg ‘Houdoe’ en verlaat de kleedkamer. Achter me hoor ik twee keer ‘Houdoe’ terug. Ik ben net op tijd weg, denk ik; net voor het waarlijk akelige gedeelte van het gesprek begint.

Op de fiets naar huis mijmer ik een beetje. De mijmering vormt zich niet echt tot een sterke mening of duidelijke emotie. Het is allemaal een beetje vloeibaar en verwarrend, maar ook doornig en oncomfortabel. En ik heb steeds een beeld voor ogen van een groepje mensen dat een verwoest land opbouwt. Het zijn de christenen. Zwetend sjouwen ze met gruzelementen, vermoeid metselenen ze nieuwe muurtjes. Aan de zijlijn wachten de moslims tot de christenen klaar zijn, het zonlicht valt op hun getrokken zwaarden. Ik vraag me af of de man in de kleedkamer zoiets bedoelde. Of hij voor zich zag wat ik nu zie. 


Als je echt per se een abonnement op deze stukjes wilt nemen dan kan dat hier.

wu

Mijn uitgeverij stuurde me het boek toe waarvan ze de rechten hebben gekocht en dat ze hebben vertaald: Chamber Music, Over de Wu-Tang (In 36 stukken). Het is net verschenen. Bij dezen maak ik er reclame voor en heb dus nu voldaan aan mijn gedeelte van de deal. Hun gedeelte is dat de letters op de kaft van mijn volgende boek van goud zullen zijn.

Het is een boek met essays over de rapgroep Wu-Tang Clan, en dan met name over hun nu vijfentwintig jaar oude klassieker Enter The Wu-Tang: 36 Chambers. De schrijver, Will Aston, neemt soms flinke zijwegen en schrijft daardoor, geloof ik, over veel meer dan alleen Wu, maar ieder essay is te herleiden naar de groep rappers.   

Toen het album verscheen was ik veertien. Iedere beat en iedere sample staat in mijn geheugen gegrift. Het betrof een periode die ik ook al uitgebreid in Halfbroer beschreef. Ik zat op mijn krakkemikkige zolderkamertje aldoor stoned te zijn. In die tijd kon ik dat nog, nu niet meer; nu word ik er angstig en verward van, eigenlijk al sinds een psychose op mijn zestiende, veroorzaakt door te veel amfetamine.

Maar als ik 36 Chambers luister (of andere rap-albums van toen: Nas – It Was Written, Tupac – All Eyez On Me, Cypress Hill, Temples of Boom) dan weet ik weer een beetje hoe dat was. Hoe lekker het was. Die trage, kalme, warme zee waarin ik wegzonk en toch kon blijven ademen. Hoe de beats deel van me werden, hoe die rappers af en toe met mijn mond leken te spreken (ook al was hun wereld de mijne niet; het was de emotie erachter, de bravoure), hoe ik een soort dramatisch machismo voelde dat ik zó nodig had. Verder wegdrijven, dieper die muziek in.

Dat willen verdwijnen en ergens in opgaan, het dempen van de innerlijke dialoog en onrust, het verruilen van waakzaamheid voor roes; dat is iets om in de gaten te houden, dat weet ik. In die zin is het destijds misschien een geschenk geweest, die tijdelijke gekte waardoor het roken van wiet er niet meer voor me inzit.

Temples of Boom, wat een fantastische titel is dat eigenlijk. Boom, een explosie in je hoofd. Boom, een rookwolk. En dan die wolk inlopen, die mist inlopen, en daar verblijven, in de troebele tempels van je eigen geest. Maar goed, die titel is van Cypress Hill en niet van Wu.

Wat betreft dat boek, ik kan je er niet zoveel over zeggen; ik heb het nog niet gelezen. Maar het is goed dat het er is, dat vind ik nu al.


Abonneer je HIER gratis op deze stukjes en HIER betaald (met extra’s).

cordyceps

Er bestaat een schimmelsoort, Cordyceps, die gedijt op hout waarvan ook de houtmier eet. De schimmel hoopt dat de mier die van het hout eet ook de schimmel zal binnenkrijgen. De schimmel hoopt er niet alleen op, hij rekent erop. Want wanneer dat gebeurt, wanneer de schimmel inderdaad in het lichaam van de mier terecht komt, vestigt hij zich in de kop, waar hij de macht overneemt. De mier, nu een willoze zombie, loopt naar het hoogst mogelijke punt in de omgeving, waarna zijn kop explodeert. Dat leest u goed: zijn kop explodeert. Uit zijn kop worden de sporen van die schimmel geslingerd, die vanaf die hoogte lekker ver kunnen komen en nieuw terrein veroveren.

De houtmieren zijn zich hiervan bewust. Ze kennen de schimmel. Ze weten van het gevaar. Iedere mier die het nest wil betreden wordt gecontroleerd op besmetting. Even flink besnuffeld, gefouilleerd, gescand. Een mier die is besmet – zich nog van geen kwaad bewust, nog geen willoze zombie – wordt direct onthoofd. Zijn kop wordt ergens gedumpt, ver bij het nest vandaan. De bewakers vegen het bloed af aan hun harnas. 

Er is een man, Paul Stamets, die alles weet (en eet) van paddestoelen en schimmels. Die Paul Stamets is een man, en dus een mens, en dus een organisme, net als de mier en de schimmels. Hij kweekte een versie van de Cordyceps die pas later te detecteren is. Mieren besmet met deze nieuwe soort ontsnappen aan de bewakers van het mierennest. Hun kop explodeert dus ín het nest en zo besmetten ze de hele kolonie. De reden dat Stamets deze soort kweekte is dat houtmieren vaak een plaag vormen en hele (houten) huizen kunnen opvreten. Je kunt een mierenplaag beter met schimmel dan met gif bestrijden, is de redenering van Stamets. Hij verkocht het patent erop en verdiende een smak geld (waarvan hij een groot houten huis in het bos liet bouwen).

Ik weet dat ik nu, met nog een woord of tweehonderd te gaan tot het einde van dit stukje, iets moet schrijven dat het geheel verheft tot iets wezenlijks. Het een thema geven, er een analogie van maken. De moraal van het verhaal. Maar die heb ik geen. Althans, niet dat ik weet. Ik wilde gewoon schrijven over die schimmel en die mieren en die man. Ik denk dat het wezenlijke daar al inzit. Dat ik daar niets voor hoef te doen. Dat het zo al genoeg zegt.

Het is woensdagochtend en ik weet me geen raad. Misschien is dat het. Misschien zoek ik troost en misschien vind ik die in het beeld van een heuvel met daarop een levenloos mierenlichaam, de lucht bezaaid met sporen van de schimmel; snippers bladgoud in het zonlicht, onderweg, zich van geen kwaad bewust.


Je kunt je HIER gratis op deze stukjes abonneren, en HIER betaald. 

signeren in antwerpen

Het was op de Antwerpse Boekenbeurs dat ik plaatsnam op de kruk waarop zojuist Kristien Hemmerechts haar boeken had zitten signeren. Even ervoor had ik een interview gegeven, op een klein podium, voor een man of tien, en nu was het mijn beurt om te signeren. In theorie had ik dat ook echt kunnen doen, signeren, als er iemand was geweest die een handtekening wilde. Ik zat voor een stapel van mijn eigen boeken en keek toe terwijl het stof zich op de kaften verzamelde. Hemmerechts, die tevreden haar tasje en jas pakte, glimlachte naar me, waarop ik vriendelijk naar haar teruglachte.

In mij werd met een vinger gewezen, en die vinger wees dieper naar binnen. Lafaard, zei een stem. Ik had me ooit voorgenomen om nooit meer als een lul met een pen naast een stapel van mijn eigen boeken te gaan zitten als er toch geen enkele belangstelling voor was, puur en alleen omdat ik dat aan de organisatie had toegezegd.

Maar hier zat ik dus weer. Dit is België, hield ik mezelf voor. Hier kennen ze me nog niet, hier moet ik alles nog opbouwen.

De situatie bracht een herinnering naar boven van een jaar of acht geleden (of zes, of zeven, of negen). Ik was op een ander groot boekenfestijn, in Nederland, en ook daar moest ik signeren. Je had tijdsblokken en een rij tafels. Op een schema kon het publiek zien van hoe laat tot hoe laat er welke schrijver zat. Ik nam plaats op de mij toegewezen kruk en zat een minuut of vijf als een lul te wachten op niemand, op stof, op mijn eigen sterfdag. Vijf minuten vol gêne en gezichtshitte waren het, en ik had er nog tien te gaan. Achter me hoorde ik toen plots commotie. Mensen van de organisatie waren in gesprek met Paulien Cornelisse, die toen geloof ik net Taal had gepubliceerd. Wat bleek: er was iets misgegaan met het schema; er stond op dat Paulien nu moest signeren, maar er was geen tafel vrij. Ik voelde hun ogen op mijn rug, hun aarzeling, hun schaamte. Dus hielp ik ze uit hun lijden en zei: ‘Kom hier maar zitten, ik ben geloof ik toch al klaar.’ Ik zag de opluchting in hun ogen. Paulien ging zitten en meteen stond er een rij tot aan de stadswal.

Nou ja, daar deed deze situatie me dus aan denken. Het was namelijk toen, denk ik, dat ik die belofte aan mezelf deed: om mezelf nooit meer aan die gêne te onderwerpen. De belofte die ertoe leidde dat ik nu, hier in Antwerpen, opstond en mijn Vlaamse uitgever vaarwel zei, ook al zat mijn tijd er nog lang niet op. Ik ging de stad in, waar ik abdijbier dronk met mijn vriendin, om daarna dikke gouden kettingen te gaan passen in het Diamantkwartier.

Een dag later, op Facebook, kreeg ik een boos bericht van een mevrouw. Ze had een boek van me gekocht en was naar me toegekomen voor een handtekening. Ze was er op de juiste tijd en ze stond op de juiste plaats. Maar ik was er niet.

Ze noemde me onsympathiek.


Mocht je je willen abonneren op deze stukjes: leuk! Klik hier.

kattenblues

Ik zag de vriendin van één van mijn beste vrienden op de hoek van mijn straat liefkozend praten tegen een geparkeerde, lege auto.

Wat bleek: haar kat zat eronder. De kat van haar en die vriend van mij. De kat die ze al meer dan een jaar kwijt waren. Splinter of Snoever of Spinner of iets dergelijks. Nietsvermoedend fietste ze door de wijk toen ze hem ineens zag zitten.

Ik zakte door mijn knieën en zag hem ook. Hij was mager en had zweren aan zijn kop. Een ontstoken oog. ‘Jezus,’ zei ik.

‘Ja,’ zei de vriendin. Ze had net haar vriend geappt, die goeie vriend van mij, die er nu aankwam, ook al lag hun dreumes onbewaakt thuis een middagdutje te doen.

Met z’n drieën riepen we naar de kat. ‘Snoeter, kom dan!’ ‘Stoffer, wij zijn het!’ De kat bleef zitten waar hij zat en loerde met wantrouwende ogen terug de tijd in, helemaal tot waar de duivel in zijn eerste grote pan met angst en lijden zat te roeren.

‘Swiffer is er echt heel slecht aan toe,’ zei mijn vriend. Hij en zijn vriendin konden het haast niet geloven. Was het echt hun kat? Ja, het kon niet anders: het patroon van de vlekken op de vacht, dat ene zwarte pigmentvlekje op de neus. Ontroering en bekommering maakten zich van hen meester.

Hoe vaak en hoe lief we ook riepen, Slabber kwam niet onder de auto vandaan.

Wie er wél vandaan kwam, maar dan uit een nabijgelegen huis vandaan, was een vrouw die eiste te weten waarom wij naar haar kat zaten te roepen. Ze vouwde haar armen over elkaar. Die armen waren tenger en bleek, prominente jukbeenderen ondersteunden haar holle ogen.

‘We dachten dat het onze kat was,’ zei de vriendin verontschuldigend. Opnieuw keek ze naar Snoetmans. Ze dacht wat wij allemaal dachten: als dat echt de kat van die vrouw was, waarom ging ze er dan niet mee naar de huisarts? Was het niet tóch stiekem Snoezems? Had die vrouw hem niet gewoon gejat?

Maar toen riep de vrouw hem: ‘Sjefke!’ En Sjefke kwam meteen. Hij liep het huis in. De deur ging dicht.

We namen afscheid. Mijn vriend en z’n vriendin fietsen naar huis, waar hun kindje lag te slapen. Het kindje dat, simpelweg door geboren te worden, Snurker toch al naar de tweede plek had geschopt.

Ik liep naar huis en dacht aan Snorkel. En aan Sjefke, die heel misschien tóch Snorkel was. Sjefke, die misschien gewoon niet meer wist hoe hij nou werkelijk heette. 


Stukjes, stukjes, get your free stukjes!