Gisteren was ik herstellende van een nare kater. Ziek, ellendig. Ik had me neergelegd bij een hele dag op de bank, maar rond vijf uur walgde ik dusdanig van mezelf dat ik besloot om te gaan wandelen. De zon brak door. Kom, zei ik. Kom, naar de Schotse Hooglanders en terug. Ik moest één Hooglander gezien hebben, anders mocht ik nog niet naar huis.

Dus de straat uit, de rotonde over, het bos in. Steken in mijn lever. Toch wist ik meteen dat ik er juist aan had gedaan. Daar had ik het vanochtend nog met iemand over: van een wandeling krijg je nooit spijt, je kunt je alleen van te voren vaak niet voorstellen dat het zal helpen. We zijn dieren van de vlakten, we hebben duizenden jaren gelopen; dit zitten en hangen is nieuw.

Het zonnetje was fijn, de bomen waren warm en groen. Ik ging door het poortje van de heide. Vanaf hier kon ik er eentje tegenkomen, een Hooglander. Meestal staan ze aan andere kant van de heide, dus daar liep ik naartoe, in een grote ronde, tot ik de schapen zag.

Geen Hooglanders, maar schapen. Een hele kudde. Er stond een tijdelijke omheining omheen, dus ze waren daar om te grazen, voor de gezondheid van het landschap. (En voor die van henzelf natuurlijk.) In de zon stond een groepje van hen te likken aan een stuk zout, wat ik nog nooit gezien had. Ze maakten een hard, schrapend geluid.

De kudde schapen stond vlakbij het bankje waarop ik ooit zat met iemand van wie ik hield. We hadden iets genomen dat het landschap deed geloven, dat kleuren gaf aan iedere fysieke sensatie, dat tranen over mijn wangen deed stromen. Liggend op een kleed onder een boom gebeurde dat. Op dat bankje kwam het tot een einde, de bewustzijnsverandering. Daar dronken we port uit plastic bekertjes en kwamen we tot rust. Het was geen volle fles port; al snel raakte hij op, waarna het niet lang meer duurde tot ik haar voorgoed kwijtraakte. Sindsdien is dat bankje een beladen plek geworden. Soms ga ik er om die reden zitten, soms om die reden juist niet.

Nu ging ik er zitten en zag ik dat er een vuur was gestookt. De aarde vlak voor me was zwartgeblakerd; er lagen verkoolde takken en een paar lege blikjes. Dat was hier dus ook gebeurd, op dit bankje. Die mensen hadden hier ook gezeten en ook een eigen wereld gehad, in het donker, hn gezichten opgelicht door het dansende vuur, de bomen om hen heen in de schaduw, als stille getuigen. Blijkbaar bestond er een wereld buiten de mijne. Ik probeerde erachter te komen of ik dat een troostende gedachte vond, maar ik kwam er niet uit; het bleef in nevelen gehuld.

Ik hield me niet aan de afspraak: ik wandelde terug naar huis zonder een Hooglander te hebben gezien. De kudde schapen volstond, besloot ik.

 


Leuk als je je wilt abonneren op deze stukjes. Het is gratis.