Vanochtend op het bospad rende Vinnie voor me uit. We liepen richting het open gebied met heide, omringd door bos, en her en der eilandjes met bomen. Ook lopen er hooglanders rond, al zie je die maar zelden. Het was grijs en koel. Flinterdunne regen maakte alles fris.

Ik was hier al een tijdje niet meer geweest. In de lente, toen het al heel heet was, was ik hier met een meisje dat nu het mijne niet meer is. Misschien heb ik daarom de plek sindsdien vermeden. Zij en ik lagen op een kleed onder een boom, uit het zicht, en betraden een ander bewustzijn. Het landschap golfde. Iedere aanraking had een andere kleur. We lachten zo.

Vanochtend wist ik niet meer welke boom het was, maar wel kwamen Vinnie en ik steeds dichterbij het bankje waarop ik had gehuild. Het goede soort huilen. Ik wou dat ik dit vaker voelde, zei ik. Het prikkeldraad waarmee ik altijd ben omwikkeld was verwijderd. Zachtjes bloedde ik uit honderden kleine wondjes terwijl zij uitkeek over de heide, gehuld in goud, stil, perfect.

Kom, zei ik tegen Vinnie. Ik wist dat ik ernaartoe moest. Dat ik erop moest gaan zitten en het moest aangaan, zoals een olifant de botten van overleden familieleden besnuffelt. Het bankje kwam in zicht. Zo anders, nu, met dit grijze weer. Geen mens te zien. We kwamen steeds dichterbij.

En toen zag ik ze liggen: een stuk of zes grote hooglanders, herkauwend tussen de begroeiing, onverzettelijk en kalm, verspreid rondom het bankje. Vinnie, die zijn kop lager bij de grond had dan ik, kon ze nog niet zien, en gelukkig hadden we wind mee, waardoor hij ze ook niet kon ruiken. Ik ken Vinnie pas drie weken, maar wilde runderen zonder hek eromheen, dat zou hem niet onberoerd laten. Beter maar niet doen.

Ik bleef nog even naar het bankje staan kijken. Daar hadden we gezeten. Het was echt geweest, het was een droom, het was echt geweest, het was een droom. In mijn hoofd was het een droom, in mijn hart was het echt. Huilen kon ik nu niet, dus richtte ik me tot Vinnie en zei: je bent een brave, brave hond, och je bent zo’n brave hond, en ik putte troost uit het kwispelen van zijn staart. 

Toen ik thuis weer voor de laptop zat, en Vinnie op zijn dekentje lag, behoorden ook de hooglanders rondom het bankje alweer tot een droom. In het hoofd kun je eigenlijk niets bewaren. Alleen in het hart blijft het lang goed. 


Je gratis abonneren op deze stukjes kan HIER.