Afgelopen weekend vierde ik Carnaval, verkleed als mijn hagedis Oscar. Het was zondagavond toen ik, ietwat beneveld, mijn schubbige staart achter me aansleepte en het laatste café voor die dag binnentrad.

Toen ik me een weg door de hossende massa had gewurmd en eindelijk bij de bar aankwam viel mijn mond open van verbazing. Ik zag een man, gekleed in net pak en stropdas, en kon zweren dat hij Halbe Zijlstra was. Ik tikte hem op de schouder, waarop hij zich, met in elke hand een biertje, lachend naar me omdraaide.

‘Halbe Zijlstra?’ zei ik. ‘Bent u het écht?’

‘Nee hoor,’ zei Halbe.

‘Maar ik zie u staan,’ zei ik. ‘U bent het wel.’

‘Oké,’ zei hij. ‘Ik ben het wel.’

‘Dus u loog.’

Halbe nam van beide biertjes een slokje en zei: ‘Toen was het nog niet aan de orde.’

Ik staarde hem aan en stamelde. ‘Het was zojuist niet aan de orde dat u Halbe Zijlstra was?’

‘Toen het verhaal speelde heb ik het weggeduwd,’ antwoordde Halbe, en kneep in de clownsneus van een passant.

‘Het was dus desinformatie,’ zei ik, nu wat stelliger, maar werd onderbroken door iemand die zei: ‘Dat is ook maar een mening.’

Nu duizelde het me pas écht. Want het was niet Halbe Zijlstra die dit zei, maar Willem Vermeend, rood van de drank, zijn stropdas over de schouder geworpen.

‘Willem Vermeend?!’ kraamde ik uit.

‘Dat is uw opvatting,’ zei Willem Vermeend.

‘Maar Willem,’ zei ik. ‘U bent toch gewoon wie u bent?’

Willem lachte en kwam zo dichtbij staan dat ik het bier op zijn adem rook. ‘Wat u vindt dat moet u zelf weten,’ zei hij. ‘Ik sta achter wat ik heb gezegd.’

Ik keek van de één naar de ander, totaal beduusd, en vroeg: ‘Wat doen jullie eigenlijk in Eindhoven? Zijn jullie hier samen naartoe gekomen?’

‘Nee,’ zei Halbe. ‘We hebben elkaar nog nooit gezien.’

‘Sterker nog,’ zei Willem. ‘Ik zie Halbe nu nog steeds niet. Halbe? Waar ben je, Halbe?’

De twee keken elkaar aan, barstten in lachen uit en gaven elkaar een highfive, waarna Halbe een lome arm om mijn schouder sloeg en zei: ‘Zeg Henk, weet je wat ik wel zou willen zijn?’

Na een diepe zucht gokte ik: ‘Een bloemetjesgordijn?’ 

Hij knikte, maar nu ineens heel ernstig, alsof het zo onderhand maar eens klaar moest zijn met de waanzin en het voor de gek houden. ‘Weet je Henk,’ zei hij. ‘Een mens moet heel z’n leven blijven knokken. Want anders zit ie zo in de puree. Een mens moet heel zijn leven blijven dokken. Betalen moet ie tot z’n AOW. Maar lekker rustig blijven hangen als een gordijn. Dat moet toch zalig zijn.’


Dit stukje schreef ik voor radioprogramma Nooit Meer Slapen. Gisternacht droeg ik het voor. Ook de komende drie nachten doe ik dat.