‘Weet je nog toen met kerst?’ Mijn jongste zoon refereerde aan iets dat gespeeld had tijdens de feestdagen. Het klonk als een herinnering aan lang geleden, door hoe hij erover sprak, maar ook door mijn eigen reflectie erop. Ik keek op mijn horloge: het was nog maar 16 januari; kerst en oudejaarsavond waren respectievelijk nog maar drie en twee weken geleden, maar het voelde als veel, veel langer dan dat.

De feestdagen zijn als een eiland waar je aanmeert, waar je een tijd woont, waarvan je je de gebruiken eigen maakt, waar je voorlopig nog niet vandaan denkt te zullen gaan. Het is moeilijk om er voorbij te zien, om je ergens anders naartoe te haasten, want je bent min of meer gestrand, je kunt nergens heen, je moet er maar aan wennen, erin zetelen, het accepteren. Het duurt maar.

Dan de knallen op oudejaarsavond, ook die nog steeds in datzelfde vacuüm. Gedwee ga je de minuten achterna, de seconden en de uren, traag de nacht in, en je weet dat de volgende dag een verstilde zal zijn, af en toe onderbroken door een vergeten knal. De toekomst is abstract en vaag en nog steeds ver weg.

Maar die knallen: voor je het weet is dat geluid al overgegaan in het ronken van een buitenboordmotor en zit je in een bootje dat bij het eiland vandaan snelt. Je kijkt achterom, maar in de koude mist van januari kun je het eiland al niet meer zien liggen. Sterker nog: het lijkt al een droom dat je er ooit was. Je kijkt naar de andere passagiers op dat bootje. Niemand denkt nog aan de feestdagen, aan zojuist eigenlijk. Ze knijpen met hun ogen tegen de gure kou, hun wenkbrauwen gefronst, hun blik op hetgeen hen te wachten staat, en de dingen die ze voor elkaar willen krijgen. Want ondanks de mist is dat wél allemaal al te zien; het komt in een gevaarlijk en onvoorzien snel tempo dichterbij. Zo snel dat, als je niet uitkijkt, het bootje er zelfs op te pletter zal slaan.

Toen ik zat te mediteren – meer op een vlot dan op een bootje – hoorde ik vogels zingen. Ik dacht aan de nieuwsberichten, tijdens de feestdagen, waarin werd gewezen op de consequenties van vuurwerk voor de vogels. Zij hebben op oudejaarsavond geen idee wat ze overkomt en vluchten de stad uit. Dat maakte me verdrietig. Het was goed om ze nu weer te horen.

Toch konden ook die vogels de herinnering aan de feestdagen niet meer echt tot leven wekken. Ze zongen al van de lente. Als ik hen mag geloven dan bestaat die nog. De lente, bedoel ik. 


Abonneer je hier op deze stukjes.