Na de skateboardles van mijn oudste reden mijn zoons en ik in de Prius naar huis. In de achterbak stond het skateboard, op de wieltjes, terwijl ik altijd zeg: leg dat board nou op z’n rug, zodat het niet rolt. Het rolde dus wel, heen en weer, tegen de binnenzijden van de auto: doenk, doenk. Mijn oudste, voorin, was net terloops tegen mijn jongste aan het zeggen hoe erg hij hem haatte, echt haatte, toen we van achteren werden aangereden.

We moesten rechtsaf, het was groen, maar ik remde vanwege de fietsers die rechtdoor gingen. De bestuurder achter ons reageerde niet snel genoeg.

‘Tering,’ zei m’n oudste. ‘Tering,’ zei m’n jongste hem na.

Een paar meter verderop parkeerde ik in de berm. Het regende zachtjes, ik zag op tegen het papierwerk, ik wilde naar huis. De Volkswagen Golf parkeerde achter me. Ik bereidde me voor op het ergste: iemand die niet snapte dat het zijn/ haar schuld was en zou gaan roepen dat ik te abrupt had geremd of iets dergelijks.

Een vrouw van begin dertig stapte uit. Ze bloosde en keek geschrokken. Ook wij stapten uit. Onze deuren gingen open, verschillende lege verpakkingen vielen naar buiten. Mijn jongens liepen vrolijk naar de achterkant van onze auto en keken ook verwachtingsvol naar de voorkant van de Golf. ‘Een deuk!’ riep mijn jongste blij toen hij de bumper van de Golf inspecteerde.

Op de achterkant van de Prius zaten witte schrammen of vlekken. Ik wreef erover met een natte vinger. Het meeste ervan ging weg. De vrouw zei dat het haar speet en wat nu en hoe nu verder. Mijn jongens keken naar mij. Ik keek naar de Prius: de gore bekleding, de deuken links en rechts, de ontbrekende wieldop. ‘Onze auto is toch al gaar,’ zei ik. ‘Ik hoef geen vergoeding of zo.’

Dat leek ze eerst niet te begrijpen. Wat wilde ik daarmee zeggen? Wat betekende dat voor het papierwerk? Ik zei: ‘Jij moet het maar gewoon met je eigen verzekering regelen, als je het goed vindt. Dan gaan wij naar huis.’ Mijn jongens vonden het al niet meer interessant en stapten in. 

‘Goed?’ vroeg ik. De vrouw keek van mijn auto naar de hare. ‘Ja, goed,’ zei ze.

We reden weg. In de achteruitkijkspiegel zag ik haar nog staan, bij haar auto, in de regen, met knipperende alarmlichten. Het skateboard rolde heen en weer: doenk, doenk.

‘Moeten we nu naar de garage?’ vroeg m’n jongste.

‘Nèh,’ antwoordde ik.

‘Ik heb honger,’ zei m’n oudste.


Je kunt een abonnement nemen op deze stukjes. Dan krijg je ook nog wat leuke extra’s. Klik hier. (Een eenmalige donatie kan ook.) Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.