Er bestaat een schimmelsoort, Cordyceps, die gedijt op hout waarvan ook de houtmier eet. De schimmel hoopt dat de mier die van het hout eet ook de schimmel zal binnenkrijgen. De schimmel hoopt er niet alleen op, hij rekent erop. Want wanneer dat gebeurt, wanneer de schimmel inderdaad in het lichaam van de mier terecht komt, vestigt hij zich in de kop, waar hij de macht overneemt. De mier, nu een willoze zombie, loopt naar het hoogst mogelijke punt in de omgeving, waarna zijn kop explodeert. Dat leest u goed: zijn kop explodeert. Uit zijn kop worden de sporen van die schimmel geslingerd, die vanaf die hoogte lekker ver kunnen komen en nieuw terrein veroveren.

De houtmieren zijn zich hiervan bewust. Ze kennen de schimmel. Ze weten van het gevaar. Iedere mier die het nest wil betreden wordt gecontroleerd op besmetting. Even flink besnuffeld, gefouilleerd, gescand. Een mier die is besmet – zich nog van geen kwaad bewust, nog geen willoze zombie – wordt direct onthoofd. Zijn kop wordt ergens gedumpt, ver bij het nest vandaan. De bewakers vegen het bloed af aan hun harnas. 

Er is een man, Paul Stamets, die alles weet (en eet) van paddestoelen en schimmels. Die Paul Stamets is een man, en dus een mens, en dus een organisme, net als de mier en de schimmels. Hij kweekte een versie van de Cordyceps die pas later te detecteren is. Mieren besmet met deze nieuwe soort ontsnappen aan de bewakers van het mierennest. Hun kop explodeert dus ín het nest en zo besmetten ze de hele kolonie. De reden dat Stamets deze soort kweekte is dat houtmieren vaak een plaag vormen en hele (houten) huizen kunnen opvreten. Je kunt een mierenplaag beter met schimmel dan met gif bestrijden, is de redenering van Stamets. Hij verkocht het patent erop en verdiende een smak geld (waarvan hij een groot houten huis in het bos liet bouwen).

Ik weet dat ik nu, met nog een woord of tweehonderd te gaan tot het einde van dit stukje, iets moet schrijven dat het geheel verheft tot iets wezenlijks. Het een thema geven, er een analogie van maken. De moraal van het verhaal. Maar die heb ik geen. Althans, niet dat ik weet. Ik wilde gewoon schrijven over die schimmel en die mieren en die man. Ik denk dat het wezenlijke daar al inzit. Dat ik daar niets voor hoef te doen. Dat het zo al genoeg zegt.

Het is woensdagochtend en ik weet me geen raad. Misschien is dat het. Misschien zoek ik troost en misschien vind ik die in het beeld van een heuvel met daarop een levenloos mierenlichaam, de lucht bezaaid met sporen van de schimmel; snippers bladgoud in het zonlicht, onderweg, zich van geen kwaad bewust.


Je kunt je HIER gratis op deze stukjes abonneren, en HIER betaald.