Hier volgt de anekdote over het anti-zweetmiddel. Ongeveer twee weken geleden deed ik de voordeur open om de groenbak buiten te zetten toen ik zag dat er een wit doosje zat geklemd tussen de deur en het handvat, aan de buitenzijde. Het was een medicijnendoosje, dat zag al meteen. Het was een beetje smoezelig. Op het etiket van de apotheek stond een naam die ik niet kende, de heer zus en zo. Het was een middel tegen overmatig zweten. Er zat een flesje in. De anekdote gaat verder onder deze alinea.

Het was natuurlijk een geintje van iemand geweest. Jongelui of zo. Ze hadden ’s nachts dat doosje gevonden, slenterend over straat, en hadden toevallig mijn deur uitgekozen. 

Of het was doelbewust. Iemand wilde mij jennen. Iemand had me dit willen flikken. Dat leek me ineens realistischer. Iemand uit de straat? Wat wilde hij ermee zeggen? Dat ik overmatig zweet? Hij zal er wel flink om hebben zitten lachen. ‘Die sukkel van nummer 40,’ zal hij tegen zichzelf hebben gezegd. ‘Dat is echt een lulletje.’

Ik gooide het doosje weg en wilde er m’n schouders bij ophalen en weer aan het werk gaan, maar dat lukte niet. Mijn eer was gekrenkt. Er was mij een rotstreek geflikt. 

Toen ik later die dag over straat liep voelde ik me bekeken en had ik het idee dat ik besmuikt werd uitgelachen. Door wie wist ik niet. Misschien wel door iedereen. De anekdote is nu ongeveer op de helft.

Gisteren, toen ik de supermarkt uitliep, werd ik ineens geroepen door mijn overbuurman. Hij zat op zijn fiets en dronk van een glazen fles bier. Meestal zit hij in zijn voortuin met bier, maar nu zat hij op de fiets met bier. ‘Buurman!’ riep hij, omdat hij iedere keer mijn voornaam vergeet. ‘Heb je dat doosje nog gevonden?’

Ik vroeg: ‘Was jíj dat? Was dat een grapje of zo?’ 

Toen ik hem aankeek zag ik zijn gezichtsuitdrukking veranderen. Hij realiseerde zich iets. ‘Of wacht,’ zei hij. ‘Jij bent toch van dat jonge hondje?’ Ik zei: ‘Nee, dat is die jongen van vier deuren verder.’ Een vlaag somberte en zelfhaat trok over zijn gezicht. ‘O shit, dan had ik de verkeerde deur.’

‘Was dat jouw achternaam op het doosje?’ vroeg ik.

‘Ja, maar ik wilde het aan die jongen geven. Die heeft last van zweetvoeten, zei hij, en toen zei ik: daar heb ik een heul goed spulleke voor. Heb je dat doosje nog?’

‘Nee, dat heb ik weggegooid.’

Nu keek hij nog zuurder. ‘Dat kostte zeventien euro hè!’

Ik haalde mijn schouders op, een beetje vrolijk, want er was mij dus geen rotstreek geflikt. Mijn eer was in tact. De anekdote nadert nu het einde.

‘Kan ik even bellen met jouw telefoon?’ vroeg hij.

‘Niet bij me,’ zei ik. ‘Wilde je die jongen bellen? Om hem te vertellen over het doosje?’

‘Nee,’ zei hij. ‘Ik moet gewoon even iemand bellen.’

En hiermee is de anekdote tot een einde gekomen.


In godsnaam: abonneer je HIER op deze stukjes. En lees m’n boek: Wij zeggen hier niet halfbroer.