In het dorpshuis van Veldhoven wacht ik tot mijn jongste klaar is met zijn toneelles. Normaal zit ik hier alleen, in deze wachtruimte met tafel, stoelen, een kast met leenboeken en een audiosetje met cassettedeck en cd-speler, maar nu is het een drukte van – jawel – jewelste.

De jaarvergadering van de ouderenraad, of zoiets. In de grote zaal hiernaast zitten zeker honderd bejaarden. Hier, waar ik zit, stallen mensen van de catering piepschuimen dozen met warm eten en dienbladen met bijgerechten.

‘Let maar niet op mij,’ zeg ik, als ze me zien zitten met m’n telefoon in de hand en een open boek op schoot. Ik wil het boek lezen, maar ik lees voor de tweede keer het artikel van Christiaan Weijts (heb je hem weer) in De Groene Amsterdammer. Het goede nieuws is dat hij dit keer geen analyses loslaat op mijn tattoos, ongeschooldheid of zogenaamde arbeidersmilieu (mijn vader was acteur en werd jurist, mijn moeder was lerares en werd regisseuse, mijn stiefvader was een zakenman). In tegenstelling tot Wij zeggen hier niet halfbroer heeft hij Berichten wél gelezen. Nog meer goed nieuws is een citaat als dit: ‘In het schetsen van dit soort emotioneel geladen taferelen, met een minimum aan woorden, excelleert Van Straten als geen ander.’ Maar dan kan hij het toch niet laten en schrijft hij: ‘Geen moment heb ik me trouwens afgevraagd of ik wel literatúúr aan het lezen was. Ik weet het nog steeds niet echt.’

Weijts weet niet of ik wel literatuur schrijf. Je verwacht het niet. Maar natuurlijk blijf ik daaraan hangen. Natuurlijk is dat het enige zinnetje dat ik zie, alsof de rest van de tekst met een benzinestift is doorstreept.

Twee vrouwen en een man staan te overleggen bij de bakken met eten. Ze hebben het over ‘slooi’ (sla) en ‘gruunte’ (groenten). Ze werken al langer samen, dat zie je, en ze hebben hetzelfde dialect, ze zijn van hier, ze hebben het gezellig. Geen haast: het komt wel goed.

Ik pak m’n boek en leg het weer terug. Wat betekent dat eigenlijk, als je op nummer 12 in de Top-60 staat? (Het nieuws dat ik vanochtend kreeg, over mijn plaatsje op de lijst met bestverkopende boeken.) Wat als ik nu meteen weer naar beneden zak?

De tafel staat nu vol met plastic bakken, drie soorten netjes in rijen: stoofpeertjes, salade, appelmoes. Het doet me denken aan een excursie naar de dierentuin, als kind. De bakken voer voor de dieren, met precies de ingrediënten die ze nodig hebben. De bejaarden worden gevoerd. Deze associatie stelt me gerust, al weet ik niet precies waarom. 

‘Als ik opzij moet dan zeg het maar hè,’ bied ik aan wanneer iemand van de catering over me heen buigt. Maar het hoeft niet. De vreemdeling mag blijven zitten, met zijn boek op schoot en zijn telefoon in de hand.

‘Mag ik niet meehelpen?’ vraag ik bijna. ‘Mag ik niet bij jullie horen?’


Helaas tijdelijk niet meer overal leverbaar: Berichten uit het tussenhuisje. Voor een abonnement op deze stukjes: klik hier.