In het Italiaanse bergdorpje waar we de documentaire over John Fante schoten was een meisje. Het was een paar jaar geleden, ik was nog getrouwd; het laatste jaar van het huwelijk. Betoverend mooi vond ik haar. Mooier dan ze zichzelf vond. Zo mooi dat als ze wist hoe  mooi, ze verloren zou zijn. We schoten de docu tijdens het jaarlijkse John Fante Festival. Zij werkte er als vrijwilliger. Haar vaste woonplaats was Milaan, waar ze werkte voor een cosmeticabedrijf.

Ik keek aldoor naar haar. Ze maakte me onzeker, ze was te mooi, en omdat ze zelf ook onzeker was keken we elkaar nooit aan.   

Toen we twee jaar later terugkeerden naar dat dorp was het om de documentaire te vertonen. We waren de sterren van het festival. Ik was gescheiden. Al voor vertrek vroeg ik het me af: zou ze er weer zijn?

Ze was er. De eerste dag wisselden we blikken. ’s Avonds was er drank en de vertoning van de film. Ik sprak haar aan. Ze was geen meisje, maar een vrouw, want drieëndertig. We vertelden elkaar over onze levens. Ze deelde haar onzekerheden en angsten en ik kon doen alsof ik die kon bezweren en wegnemen. We lieten het elkaar geloven.

We kusten in een donker straatje, de bergen om ons heen met hun ruggen tegen elkaar, vastbesloten om niemand erdoor te laten, gebroederlijk onder een maan zonder nevels.

De kus viel tegen. Ik deed alsof het niet zo was, ik weigerde om het tot me door te laten dringen, maar het was zo: haar lippen waren te dun en haar tong te klein, waardoor haar mond te veel ruimte had, een grot waarin mijn tong eenzaam spartelde.

Niettemin wilde ik haar. De romantiek en de droom wonnen het van de kus. En misschien had ik me vergist, misschien moest ons kussen simpelweg even op gang komen.

Ze ging met me mee. Toen we aankwamen bij het huis waar ik sliep met de regisseur en de cameraman zagen we dat die twee nog aan de wijn zaten in de keuken, waardoor mijn Italiaanse zich bedacht en besloot om toch op haar eigen logeeradres te gaan slapen, een dorp verderop. Als ze haast maakte kon ze nog met iemand meerijden. Ze liet mijn hand los, keek me aan, glimlachte. 

De volgende dag vertrok ik alweer naar Nederland. We stuurden elkaar berichtjes, ook nog de dagen erna. Ik zou bij haar op bezoek kunnen komen, zei ze. Zij hier bij mij, zei ik. 

Nog altijd zie ik regelmatig foto’s van haar voorbijkomen. Van haar, van haar leven. En natuurlijk leeft de fantasie dan weer op. Of beter gezegd: er is een parallelleven dat ik af en toe even kan bezoeken. Dan zie ik ons tweeën in Milaan. Iedere maand ga ik er een paar dagen heen, en zij is soms een paar dagen hier. Totdat dat niet meer gaat, niet meer genoeg is. Ze verhuist hierheen; ik heb kinderen.

Maar hier is ze niet mooi meer. Hier is de betovering verdwenen. Ze spreekt geen Nederlands, mijn kinderen kunnen nog geen Engels, ze verstaat mijn vrienden niet, het werk dat ze hier doet is minder uitdagend dan wat ze eerst deed. En iedere keer als we kussen gaat het me meer tegenstaan: die holle mond, als een grote balzaal zonder licht waarin het eindeloos dolen is. Ook heb ik haar onzekerheid niet kunnen wegnemen en doe ik er mijn best niet meer voor. Erger nog: die onzekerheid begint me te storen. Soms, als ik haar aankijk, dan zie ik het in haar ogen: ze kwam hier voor mij, maar ik heb haar niet kunnen redden, en nu wil ik haar niet meer.


Je kunt je abonneren op deze stukjes. Je krijgt dan wekelijks een exclusief extra stukje en ander leuks. Klik hier. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.