De ironie wil dat ik het die ochtend nog met vriend T. erover had gesproken, over corona, en dat hij zei dat deze tweede golf wetenschappelijk terug te herleiden was naar jongeren met illegale feestjes en vakanties in Spanje. Je kunt dat zien aan de mutaties van het virus of zoiets. Onvoorzichtige, egocentrische jongeren, die waren de schuldigen. Ik hoorde vriend T. aan, we dronken koffie, ik knikte instemmend. Nog steeds begrijp ik niet helemaal hoe het kon gebeuren dat ik diezelfde avond ineens in een Nijmeegs studentenhuis stond, met een flesje bier in mijn handen, tussen een stuk of tien dronken vreemden.

Zo gaat dat dus. Of: zo kan dat dus gaan. De reden dat ik in Nijmegen was, was een tweede date. Zijn woont in Amsterdam, ik in Eindhoven; het leek ons een leuke, neutrale plek. We hadden de botanische tuinen bezocht—gesloten vanwege de regen, zo bleek—en dronken biertjes In De Blaauwe Hand. Daarna aten we wat. Daarna dronken we nog wat. En toen was het ineens tien uur.

Tien uur: hét moment waarop je er net lekker inkomt, waarop het het zicht wat troebeler wordt, het bloed wat sneller gaat stromen, de zenuwen tot bedaren komen en de grenzen van decorum vloeibaar worden. Het begint, met andere woorden, net leuk te worden.

Of we de zaak wilden verlaten, was het verzoek. We liepen door de stad, richting het hotel, toen we onderweg ineens luide muziek en geschreeuw en gebonk hoorden. We zagen flitsend licht achter de deur die de ingang naar deze commotie moest zijn.

‘Even kijken,’ zei zij, en liep al richting die deur. Toen ik naast haar kwam staan, en we tevergeefs door het melkglas iets trachten te zien, werd er plots ruw opengedaan en keken we naar een dronken student die ons argwanend vroeg wat we kwamen doen. We hadden lawaai gehoord, zeiden we, en waren nieuwsgierig. ‘We zijn net een café uitgezet,’ zei ik, op een toon die suggereerde dat ons groot onrecht was aangedaan. En toen stonden we ineens binnen.

Zo gaat dat dus. Zo gaat het dus mis. Die jongens—er waren geen meisjes bij—hadden het concept ‘café’ al helemaal opgegeven en hadden hun huis omgetoverd tot een armoedige campingdisco in een arm deel van Wallonië; de bewegende kleurenlampen stuk voor stuk bij de Action gekocht. We moesten een trap op. Op die trap stond om de paar treden een shotglaasje met een melkwitte likeur erin. De jongens schreeuwden naar elkaar. Dat waren ze dus aan het doen: je moest onderaan beginnen en dan zo snel mogelijk naar boven, waarbij je uiteraard ieder glaasje achterover moest slaan. Een enkeling mistte een trede en viel; dat was het gebonk dat we hadden gehoord.

Gelukkig mochten wij naar boven zonder aan het spel mee te hoeven doen. We waren zelf ook al dronken. We kregen een flesje bier en er werd slap tegen ons aan gezeverd. Hun kutmuziek stond hard, dus we moesten roepen. Van anderhalve meter was geen sprake. Eén van hen toonde ons zijn kamer. In feite had hij het alleen aan mijn date aangeboden, maar tot zijn spijt wilde ik mee. Hij was begin twintig en had een aquarium met twee apathische goudvissen erin. Ook had hij een schoenenrekje. De kamer rook naar oud zaad en frustratie.

Vanzelfsprekend was de lol er snel af en stonden we weer buiten, nog een beetje beduusd van wat er zojuist gebeurd was. Pas de volgende ochtend keken we elkaar katerig aan en drong het tot ons door dat we nu tot de probleemgroep behoorden. Wij waren de brandhaard.

Mijn God, mijn God, ik ben de brandhaard.

 


Je gratis abonneren op deze stukjes kan HIERRRRRR.