Het is een vreemde gewaarwording: dat in deze periode de geschiedenis en de maatschappij in een chaotische stroomversnelling zitten—er gebeurt meer en het gaat sneller dan we kunnen bevatten—en dat tegelijkertijd het leven volkomen stilstaat.

Ik beleef een eindeloze dag. Eén en dezelfde dag. Het is een dag waarop de zon schijnt en het iets boven de twintig graden is. Misschien dat het morgen weer eens zal regenen, maar vandaag begon een eeuwigheid geleden en misschien duurt het nog een eeuwigheid voordat het morgen is.

Dit huis is iedere dag hetzelfde. Het zonlicht in de namiddag valt steeds hetzelfde op de bank in de huiskamer. Soms ga ik er zitten, in dat licht, tot het me te warm wordt, en dat is dan iets wat ik gedaan heb. De keukenkastjes weten me nooit te verrassen. Iedere baksteen ligt precies waar hij wil liggen; er is er niet eentje die liever ergens anders zou zijn; elk van hen is een wijsgeer van wie ik zou moeten leren; ze doen het me massaal voor: zo doe je dit.

Op deze eindeloze dag loop ik soms door het bos met mijn zoons. Die zoons hangen soms ook op de bank. Soms is de bank leeg en vlijt het zonlicht zich er neer en soms zit ik in dat licht.

Ik lijk vast te zitten tussen jeugd en ouderdom, alsof ik niet weet welke kant ik op wil, als een rups gevangen in een stalen cocon.

Ook mijn liefdesverdriet lijkt niet meer weg te gaan; als een van de planten in de achtertuin heeft het stevig wortel geschoten; het groeit om me heen als de blauweregen; er is een herfst of zelfs winter voor nodig om de blaadjes te doen vallen, waarna ze, als God het wil, eindelijk aan mijn voeten zullen verdorren.

Er zal vast beweging in zitten. In de dingen. Ook in de kleine dingen, hier, in en rondom het huis. Dat kan niet anders. Zelfs in oude bergen zit beweging. En als ik goed zoek vind ik er ook heus bewijs voor. Zo is er het kleine walnotenboompje dat ik van de kraai cadeau kreeg. Er zitten inmiddels een paar blaadjes aan, en nu die blaadjes zonlicht vangen zie ik haar plots blaken van zelfvertrouwen.

Ook het boek dat ik schrijf vordert gestaag. Het aantal woorden groeit en groeit. Toch voelt dat niet als verandering. Het is iets wat er altijd is, het schrijven. Het is simpelweg het geluid dat mijn vingers maken op een toetsenbord, zoals het gezoem van de tientallen bijen simpelweg het geluid is dat mijn blauweregen maakt; het suizen van de wind die langs een berg strijkt.

Toen ik zojuist de tuin inliep zag ik een dode bij liggen. Het ene moment had ze nog nectar gedronken in de paarsblauwe weelde die mijn keukendak overwoekert, en het volgende lag ze roerloos op de tegels. Ze heeft, net als ik, nooit het einde van deze dag gezien.

 


Ik zou het leuk vinden als je je op deze stukjes abonneert. Het is gratis.