Een groepje Vlaamse heren aan de andere kant van de stiltecoupé zit te kletsen. Eén man in het bijzonder. Hij heeft ronde brillenglazen met een dik montuur en draagt een bontgekleurd sjaaltje. Ik besluit om mijn irritatie dit keer niet te laten opbouwen maar meteen iets te zeggen. Mijn daadkracht is aanzienlijk, dat merk ik wanneer ik opsta en naar hen toeloop; mijn passen zijn groot, mijn rug is recht, mijn wijsvinger wijst kordaat naar de letters op het raam: stiltecoupé. ‘Dit is een stiltecoupé,’ zeg ik fier. Ik richt me tot de man met het sjaaltje en misschien, heel misschien, staar ik hem net iets te hard aan en misschien, heel misschien, geef ik hem een knipoog.

Vlak voor ik me omdraai en terugloop zie ik de flits van verontwaardiging en geldingsdrang in zijn ogen, en op zijn lippen de aanstalten van een weerwoord.

Wanneer ik weer zit hoor ik hem opnieuw praten. Zachter dan net, maar nu met wroeging in zijn stem. Hij klaagt over me tegen zijn metgezellen. Dat ik dat ook normaal had kunnen zeggen. Het doorpraten is een vorm van protest.

Opnieuw loop ik er direct heen. ‘Blijft u nu gewoon doorpraten?!’

Prangend kijkt hij me aan. ‘Uw toon stond me niet aan.’

Waarop ik kort lach. ‘Ha! Dus omdat u zich beledigd voelt mag u de regels aan uw laars blijven lappen? Dat is nogal kinderachtig, niet?’ Dan wijs ik naar de andere passagiers. ‘Als u wraak wilt nemen op mij, neem dan wraak op mij, maar niet op déze mensen. Zij hebben u niks gedaan. Zij willen slechts rustig een boek of krant kunnen lezen!’

Op dit moment begint iedereen te applaudisseren. De man zwijgt en kijkt gegeneerd naar zijn voeten. Eén of twee mensen gaan staan, dan volgt de rest, en nu is er sprake van een staande ovatie. Nu komt de conducteur binnen met een mooie fles wijn, als klein teken van dank. Nu staan er buiten mensen met vlaggen langs het spoor. Nu knallen er in de lucht vuurpijlen uit elkaar. Nu komt er een vrouw voor me staan. Ze is honderd vrouwen in één: mijn ex, mijn moeder, het meisje waar ik misschien verliefd op ben, ieder meisje dat ik ooit wilde, iedere Hollywood-actrice die ik ooit mooi vond. Ze staat voor me, kijkt me diep in mijn ogen en zegt: ‘Goed gedaan, Henk. Heel goed gedaan. Ik ben trots op je. Je bent geweldig.’

Nu tikt er iemand op m’n schouder. Dat we in Eindhoven zijn. Of ik er hier niet uit moet.


Hier kun je een eenmalige donatie doen of je op deze stukjes abonneren. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.