Na te hebben ingecheckt in een hotel te Doetinchem rende ik door het donker naar de bibliotheek. Ik was te gast bij Boek the Party, een terugkerende avond met schrijvers, gepresenteerd door Wouke van Scherrenburg. De andere gasten waren Toine Heijmans, Elke Geurts en Aaltje van Zweden.

Vlak voor de ingang werd ik begroet door een man van begin dertig. Hij droeg een colbert op een overhemd en een spijkerbroek. Zijn haar was warrig gekamd met veel gel. ‘Hallo,’ zei hij alsof we elkaar kenden. ‘Goed dat je er bent.’ Ik knikte vriendelijk, maar hij zei het op zo’n amicale toon dat ik, terwijl ik naar de klink van de deur greep, me afvroeg of ik hem niet de hand moest schudden. Hoe goed kenden we elkaar? Was het lomp om zomaar door te lopen? Het deed er niet meer toe; ik was al binnen.

Ik keek om me heen, zag Elke en ging snel naast haar zitten. We kregen koffie, Elke en ik, en we kletsten wat. In mijn ooghoek zag ik dezelfde man staan. Hij glimlachte en stond in de buurt, alsof hij beleefd wachtte tot Elke en ik waren uitgepraat. Ik erkende hem opnieuw met een knikje en een glimlach en praatte verder.

Achter ons hoorden we een kopje te pletter slaan, gevolgd door ‘GODVERDOMME’. Ik keek om en zag de man met zijn gezicht in zijn handen staan. ‘O, GODVERDOMME!’ riep hij opnieuw. Hij stond erbij alsof hij als kind een doos met tien bijzondere kopjes had gekregen en dit het tiende en laatste kopje was geweest. 

De schrijvers moesten het podium op. Achter een tafel met microfoons beantwoordden we de vragen van Wouke. Het publiek, veelal mensen van boven de vijftig, zat op stoeltjes aandachtig te luisteren. Tot er ineens achterin de zaal werd geroepen: ‘FUCK YOU! IK HAAT JULLIE!’ Daar stond de man weer, woede en wanhoop in zijn ogen. Hij riep het naar ons. Nu opnieuw: ‘IK HAAT JULLIE!’ Hij trekt een pistool, dacht ik even. Een paar kerels begeleidden hem naar buiten.

Wij schrijvers waren even stil en praatten vervolgens verder alsof er niets was gebeurd. Toch hing zijn stem nog in de lucht. Het voelde als een beschuldiging die – ook al wisten we niet precies waarom – niet helemaal ongegrond was. Althans, zo voelde het voor mij.

Na het signeren en de drie wijntjes (want drie muntjes), pakte ik mijn jas. De nacht lag koud voor de deur en ik dacht aan die man. Zou hij me ergens staan op te wachten? Met een mes misschien? Nog enger vond ik de gedachte dat hij met me wilde praten. Dat hij zou uitleggen waarom zijn leven zo verschrikkelijk was en waarom hij me zo haatte. Dat hij zou zeggen: ‘Waarom kijk je me niet aan? Ben ik dan echt zo verschrikkelijk?’


Het is echt waar: je kunt je op deze stukjes abonneren. Klik hier. Een eenmalige donatie is ook van harte welkom. Eind maart verschijnt Berichten uit het tussenhuisje.