Gisteren las ik dit artikel in Vrij Nederland, door de Denker des Vaderlands, René ten Bos. De strekking: ‘Kunnen journalisten wel feiten aandragen als lezers en kijkers helemaal geen feiten willen? Is verlichting mogelijk in een wereld die zich niet wil laten verlichten?’ Hij begint zijn essay als volgt: ‘Veel burgers zouden niet meer in feiten zijn geïnteresseerd: Telegraaf-lezers, ouders die hun kinderen niet willen laten vaccineren, PVV-stemmers die bang zijn voor de mosliminvasie, de ontkenners van klimaatopwarming en presidenten van grote landen.’ Een ingewikkeld maar prikkelend artikel dat je zeker moet lezen.

De laatste tijd houdt het ook mij steeds vaker bezig. Afgelopen week werd ik er op twee momenten mee geconfronteerd. Het eerste moment was in de sportschool. Ik was bezig met een oefening, vlakbij de tafel met tijdschriften en fruit, waar twee bevriende mannen na hun workout nog wat zaten te kletsen. Ze spraken over voeding, over alle dingen die slecht voor je zijn. In vis zit antibiotica. Zuivel is slecht, want mensen zijn van nature geen melkdrinkers. Bespoten groenten, genetisch gemanipuleerd fruit, etc. Alle stellingen werden beaamd, door henzelf, en er was een vrouw die extra dingen aandroeg – ‘wist je dat’ – nog meer misstanden die werden ontvangen met goedkeurende hoofdknikjes. Alles had de zweem van zaken die de reguliere instanties verzwijgen. Ik liep hen voorbij om een glas water te pakken en zei: ‘En toch wordt de Westerse mens ouder dan ooit.’ Hier werd met aanzienlijk minder enthousiasme op gereageerd. Het paste niet in het gesprek, niet in de denkbeelden die ze zo gretig door elkaar bevestigd kregen. Iemand zei: ‘Misschien wel,’ en daarna was het even stil. Toen ik weer aan het sporten ging hoorde ik hen het gesprek hervatten: ‘Weet je wat trouwens óók slecht is?’ Ik was een hinderlijke onderbreking geweest.

Het tweede moment was om drie uur ’s nachts, aan tafel met soep, na een ayahuasca-ceremonie. Lijkbleek en rillend sprak ik met een man over rapé, een soort snuiftabak, en dat ik dat liever niet gebruik omdat mijn voorhoofdholten zo snel ontsteken. ‘Misschien zit daar een blokkade,’ zei hij. Ik antwoordde dat ik dacht dat het was omdat ik gewoon snel geïrriteerde holten had, misschien door de vorm van mijn neus en schedel, mijn luchtwegen, wie zal het zeggen? Daar keek hij sceptisch bij en hij opperde dat het door voeding kon komen, of onverwerkte emoties, en moest ik niet zus of zo eens proberen?

In beide gevallen kreeg ik sterk het gevoel dat ze simpelweg niet wílden dat de gangbare opvattingen, gebaseerd op wetenschap, of op medisch onderzoek, nog relevant waren. Alsof ze daar voorbij waren, en inmiddels beter wisten. Alles moest een geheimzinnigere verklaring hebben. Honderden jaren empirisch onderzoek, nee, daar moet je het niet zoeken. Wetenschap is verdacht. De waarheid krijg je van gelijkgestemden, in gesprekken en op blogs waar iedereen gretig elkaars theorieën aanhoort en voor waar aanneemt. Het lijkt een soort drang om de zichtbare wereld als leugen te zien, verteld door een samenzwerende meerderheid die niet wil dat je de waarheid kent. Het is natuurlijk opwindend en bevredigend: dat je die leugens doorziet, dat je er samen met andere verlichte mensen uit bent ontwaakt. Het verbindt en verbroedert en biedt houvast.

Of zoals Milo Yiannopoulos zei: ‘We live in a post-fact world – and it is wonderful.’


Een abonnement op deze stukjes? Klik hier. In maart verschijnt Berichten uit het tussenhuisje.