Gisteren, toen mijn jongste zoon op straat mijn auto stond te wassen en mijn oudste zoon op het keukendak de bladeren van de afgelopen herfst stond op te vegen, was ik in de huiskamer aan het thuisfitnessen en miste ik ineens heel erg mijn favoriete oefening, de oefening die ik hier niet kan doen: de deadlift. 

Normaal ga ik zo’n drie keer per week naar de sportschool voor krachttraining en wat rossen op de bokszak. Ik heb dat nodig: met een labiele geest als de mijne kan ik het me niet permitteren om me ook fysiek nog slap te voelen. Na een training heb ik zeker een uur waarin ik denk dat ik het leven aankan.

De deadlift heeft voor mij de grootste symbolische waarde. Voor degenen die niet weten wat het is: je zakt door je knieën, pakt een losse stang met gewichten vast en komt overeind. Fundamenteler wordt het niet. Het is letterlijk iets zwaars optillen. Je hebt er het soort kracht voor nodig dat een kind associeert met sterk zijn, met sterke mannen.

Heel lang doe (deed) ik die oefening nog niet. Pas toen iemand zei dat ik zulke dunne benen had begon ik ermee. Mijn progressie ging gestaag maar ik werd sneller sterk dan ik had verwacht. Mijn persoonlijke record is 152,5 kilo. (Dat deed ik één keer en toen zag ik sterretjes.) Dat record maakt me niet bepaald De Sterkste Man van Nederland, maar voor mij is het veel. Bovendien is het als met golf: je strijdt tegen jezelf; je behaalt winst op je eigen grens.    

Hier thuis is het anders. Ik doe push-ups en pull-ups. Gisteren stond ik ondersteboven tegen de muur, om zo mijn schouders te trainen. Mijn zoons vonden dat wel stoer. Maar ik stop eerder dan ik in de sportschool zou doen, en het is saaier, en gek genoeg ben ik ook meteen buiten adem. Ik denk steeds: ik kan het net zo goed niet doen. Maar ik weet wat me te wachten staat als ik echt zou verzaken. Wat ik al zei: ik kan me geen papperig lichaam veroorloven. Mijn zelfbeeld is daar te gammel voor; er zou niets van me overblijven.

Ik mis de deadlift. Ik vrees dat ik straks helemaal opnieuw moet beginnen.

Met hun klusjes verdienden mijn zoons allebei vijf euro. Ik haalde de twee briefjes uit mijn portemonnee, maar net toen ze hun salaris met hun hebberige handjes wilden vastpakken schoof ik het, recht voor hun neus, in een envelop. ‘Voor het onderzoek naar een medicijn tegen het coronavirus,’ zei ik.

Het was een grapje. 

 


Meld je hier aan voor gratis stukjes in je mailbox.