Hier in Brabant zijn de scholen pas net weer begonnen. Ik heb ernaar uitgezien: het einde van de hitte en onregelmatigheid, het frisse grijs van de aanstaande herfst, de herintrede van mijn routine. Ik heb er naar uitgekeken: ik dacht rust en regelmaat te vinden, een goed humeur, maar in plaats daarvan ben ik neerslachtig en gespannen. Ik val uit tegen mijn jongens. Ik schreeuw te veel.

Ik weet niet precies hoe het komt. Er is een sense of dread. (Ik voerde ‘dread‘ net in op Google Translate, en toen stond er ‘vrees’. Dat volstaat niet. Vandaar het Engels.)

Ja, ik loop te kloten met werk, ik pieker over m’n carrière, maar ik vermoed dat het meer is dan dat. Ik lees bijvoorbeeld steeds verhalen over dingen als het cultuurmarxisme, of beter gezegd over de groeiende groep mensen die daarin gelooft. Het idee dat er al sinds de Koude Oorlog een samenzwering gaande is die de Westerse beschaving tracht te ondermijnen door ontwrichtende kunst, liberale ideeën, immigratie, gelijkheid voor vrouwen en homoseksuelen, etc. (Zie HIER een mooi en helder stuk erover.) Het sijpelde zelfs door in de lezing van Sybrand Buma, met zijn ontheemde ‘gewone Nederlanders’.

Volgens mij boezemt het me meer angst in dan ik me realiseer. Omdat áls het ooit begint – een nieuwe hetze, een nieuwe zuivering – dan begint het zo.

Het bouwt zich in me op. Ook, bijvoorbeeld – hoe willekeurig dit ook lijkt – de verhalen over mensen die in toenemende mate vertrouwen verliezen in reguliere medicijnkunde, en rotsvast blijven geloven in alternatieve middelen waarvan het beloofde nut allang wetenschappelijk is weerlegd. Want wetenschap is ook maar een mening, of corrupt. Ze zijn bereid al het werk dat ons heeft gered van dodelijke epidemieën achteloos af te doen als propaganda van big pharma. Zelfs een uitzending van Brandpunt over de uitwassen van de homeopathische industrie wordt bedolven onder reacties van mensen die simpelweg weigeren te geloven dat er objectieve journalistiek wordt bedreven, die liever geloven dat er omkoping door de grote farmaceutische bedrijven mee is gemoeid. 

Al die dingen. Ik krijg het allemaal niet meer van me afgeschud. Het lijkt wel alsof we als volk af willen van onze eigen beschaving. Alsof we er de vloer onder vandaan willen trekken. En dat is de paradox, want dat is exact wat alt-right types als Thierry Baudet – met zijn oikofobie – óók geloven. Dat een groot kwaad onze samenleving bedreigt. Alleen geloof ik dat zíj aan het fundament van onze maatschappij knagen, terwijl zij geloven dat ik en de mijnen dat doen. Zij misschien met dezelfde angst als ik, met hetzelfde gevoel van urgentie. Zij zijn mijn gif, ik ben hun gif. Een duizelingwekkende gedachte.

Ik wil niet zo neerslachtig en gespannen zijn, maar het is akelig om steeds het gevoel te hebben dat ik op het dak loop van een huis dat op instorten staat. De grijze lucht is dan ineens niet fijn meer. Niet langer vormen de kinderstemmen op het schoolplein een aangenaam gekwetter; ze klinken als de herinnering aan de dagen van voor de val.


Deze stukjes gratis per mail? Klik hier. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.