Af en toe laat ik een pitbull uit, een lichtbruin teefje van een jaar of zes met arthritis. Ze heet Ed. De eerste jaren van haar leven zat ze opgesloten – vandaar waarschijnlijk de arthritis; ze kreeg te weinig beweging – en werd ze gebruikt als fokteefje. Al veel te jong kreeg ze drie nestjes. Daarna werd ze gered en kwam ze terecht bij een vrouw hier in de straat.

Zoals altijd rende ze gisteren kwispelend over straat op zoek naar mijn auto. Het was mooi weer, ze zat naast me, haar snuit uit het raam, haar oogjes half dicht tegen het felle licht en de zon. In de buurt van het bos begon ze – ook zoals altijd – te piepen en te trappelen en me in mijn gezicht te likken. (Toen ik haar voor het eerst ontmoette hield ze afstand en blafte ze. Het kostte tijd. Vertrouwen is bij haar logischerwijs niet vanzelfsprekend.)

Ik stapte uit terwijl zij al over me heen probeerde te klauteren. Ze rende voor me uit, hinkend met haar linker achterpootje los van de grond. Ze rent nooit te ver vooruit en blijft nooit ver achter; altijd kijkt ze waar ik ben; pas als ze me ziet is ze gerustgesteld.

Als we andere mensen tegenkomen is het altijd spannend. Ze zien een pitbull en een man met tatoeages in zijn nek. Sommigen lopen met een boog om ons heen. Anderen willen juist laten zien dat zij zo niet zijn. Dat is goed bedoeld, maar als ze Ed te enthousiast benaderen wordt ze bang en blaft ze met ontblote tanden. Shit, zie je die mensen denken. Het stereotype toch weer bevestigd.

Andere honden zijn nog lastiger. Ed doet niets, maar als ik dat hardop zeg – ze doet niets! – dan klinkt dat zelfs mij in de oren als iets wat iemand zegt vlak voor zo’n beest toehapt. Een ander probleem is dat ze nooit is gesocialiseerd en niet zo goed weet hoe ze moet spelen. Ze begint met grommen en gaat dan heel klungelig een stok zoeken, die ze aandraagt bij de hond in kwestie in de hoop dat die eraan zal trekken. Want dat doet Ed – zoals het een pitbull betaamt – het liefst: vastbijten en trekken. (Ik kan niet van haar winnen.) Gisteren was er een vrouw die, toen Ed ging grommen, paniekerig haar hond meetrok. ‘Ze doet niks!’ riep ik weer, waarna die vrouw terugriep: ‘Het zal vast!’ Ik keek naar Ed, zich van geen kwaad bewust en haar blik op mij. ‘Laat die hond maar,’ zei ik. ‘Ik vind je cool.’ Ze droeg me een stok aan.

Haar pitbullheid is inherent, maar zelf is ze zich er niet van bewust. Niet van haar uiterlijk, niet van het feit dat haar ras ooit is gefokt om te vechten. Ze voelt de zon op haar snoet, net als andere honden, en loopt graag het water in, met dat manke pootje en de gewrichten die haar zoveel pijn doen. Niet dat ze er iets om laat, om die pijn. Daar komt die pitbullheid dan weer van pas.

Op de terugweg zat ze weer hijgend naast me. Haar raampje stond open. De weg was geblokkeerd door een machine. Ik riep naar een man in een fel hesje. Hoe te rijden? Toen de man naderde begon Ed begon heftig te blaffen en grommen, agressiever dan normaal. De auto was haar nest en moest beschermd? De man bleef op afstand en ik sloeg een andere weg in. Er waren daar kinderen aan het spelen; ik reed langzaam. Eén jongetje keek heel brutaal en stapte ineens naar voren met een sissend geluid. Voor de grap, maar intimiderend. Hij stapte op Ed af, zijn gezicht al vlakbij het open raam. Het ging te snel om te kunnen anticiperen. Zonlicht stak me in mijn ogen en ik knipperde, mijn buik in een knoop. Het was zo’n fractie van een seconde waarin alles kan veranderen. Maar toen ik mijn ogen opende was er niets gebeurd. De bomen wuifden nog, de lucht was nog blauw. Ik keek naar Ed, die lachte naar de zon en opnieuw genoot van haar nieuwe leven.


Een betaald of gratis abonnement op deze stukjes neem je HIER. Mijn meest recente boek heet Berichten uit het tussenhuisje.