Nooit was ik me zo bewust van de overgang van winter naar lente. Het komt omdat ik, sinds afgelopen zomer, veel met m’n achtertuintje bezig ben. Bij het tuincentrum (eerst bij Intratuin, tot ik erachter kwam dat die bespoten bloemen verkopen en zo bijdragen aan de bijensterfte, en daarna bij een onafhankelijk, gemoedelijk bedrijf) kocht ik planten, koeienmest, kalkkorrels en bloedmeel.

Nadat ik die nieuwe planten in de aarde had gezet ging ik steeds bij ze kijken. Iedere dag, meerdere keren. Hoe ging het met ze? Soms zat ik in een stoel gewoon een halfuur lang naar ze te staren.

Maar het was augustus. Alles was al groen en ging al gebukt onder het eigen gewicht. Het verval was aanstaande. Ik had bloemen gezaaid, maar te laat, waardoor die planten pas in september gingen bloeien en in de herfstregen hun zware hoofden lieten hangen.

In de winter, toen alles kaal was behalve de varen en de wolfsmelk, haalde ik nog twee grote tegels weg. Op de eerste mooie dag in maart reed ik naar het tuincentrum, terug met een achterbak vol planten, en de tweede mooie dag nog eens. Sindsdien loop ik steeds weer naar buiten om te gaan kijken. Zie ik al blaadjes? Zijn er al knoppen? Ik heb een eikenboompje dat wel wil maar nog even wacht. Ik heb een hibiscus die doet alsof het nog winter is. De schijnaugurk, die ik afgelopen zomer plantte, heeft een aantal zwarte, verpieterde blaadjes, door de hevige vorst van een tijdje geleden. Te vroeg naar buiten gekomen. (Wat de hibiscus ertoe bracht om minzaam te zeggen: ‘Je wilde niet naar me luisteren hè?’) 

Het groen worden van de wereld: ook vroeger had ik het heus wel in de gaten, maar dat was alleen op momenten waarop het me plots overviel, dat ik ineens opkeek en zag dat het al zover was. Maar het proces voltrok zich buiten mijn bewustzijn, buiten mijn aandacht. Nu kijk ik naar iedere plant die ik zie, ook buitenshuis: deze nog kaal, deze al knopjes, deze al blad.

Het worden individuen: de schijnaugurk die te ongeduldig was, de hibiscus die nog steeds van niets wil weten. (En zo míj ongeduldig maakt. Kom op zeg, de zon schijnt recht op je neus.)

Tweede paasdag zat ik met familie bij mijn broer, op één hoog. Ik was in gesprek, maar ik keek steeds uit het raam, waar ik een klimplant zag groeien. Uit de takken staken kleine groene flosjes. Ze leidde me af van het gesprek. Of nee, het gesprek leidde me af van haar. De waarheid, de essentie, was daarbuiten.

Zodra het zonnetje schijnt ga ik in een tuinstoel naar ze zitten kijken. Ik wil nu zeggen: meer dan dat hoeft er dan even niet. Maar dat is niet waar. Dat is juist het probleem: dat er, ondanks het goede voorbeeld dat die planten je geven, altijd meer moet.


Voor een abonnement of eenmalige donatie: klik hier. Zojuist verschenen: Berichten uit het tussenhuisje.