Naar aanleiding van mijn stukje van gisteren kreeg ik een mail van een mevrouw die zich wilde uitschrijven als abonnee. Het allerlaatste zinnetje zat haar dwars. Ik had geschreven dat ik met mijn jongens naar het bos zou gaan, en ik eindigde met: ‘Lekker naar bejaarden hoesten.’

Humor kan ingewikkeld zijn. Zelf ben ik niet zo van de heilige huisjes. Mijn criterium is meestal: hoe denkt de persoon die de grap maakt er werkelijk over? Maar ook dat is natuurlijk geen exacte wetenschap, en dus zijn er verwarrende marges.

Ik stuurde de vrouw een mail terug waarin ik zei dat het een grapje was geweest, dat ik uiteraard niemand in het gezicht ging hoesten en dat ik de situatie wel degelijk serieus nam. Een grapje maken staat niet gelijk aan: het kan me niets schelen. Ik haalde een voorbeeld aan: mijn vriend Theo Maassen verloor al vroeg zijn moeder, vader én jongere broertje aan kanker. In zijn laatste cabaretprogramma noemt hij hen grappend ‘K3’. In mijn mail aan de vrouw stelde ik haar de vraag: ‘Denkt u werkelijk dat hij niet om hen rouwt?’ 

Het was goede mail, vond ik zelf. Sluitend en helder. De vrouw had zich bedacht en bleef abonnee, schreef ze. Ze had mijn stukje gelezen vlak na het middagjournaal en was daardoor een beetje van slag geweest.

Maar toen, of eigenlijk zojuist, las ik in de Volkskrant een verslag van een Brabants ziekenhuis. Ik las over patiënten die van de IC afkomen, en die het dus gered hebben, maar die permanente longschade hebben opgelopen en, misschien erger, met ernstige psychische problemen blijven zitten. Hun periode aan de beademing heeft zich vertaald naar aanhoudende nachtmerries waarin ze verdrinken.

Dat laatste detail zorgde voor een empathisch medeleven dat ik eerder nog niet gevoeld had. Ik besteed deze dagen thuis, de zon schijnt, ik zie het nieuws, ik zorg voor m’n jongens; het bleef allemaal vrij abstract. Ik besefte dat ik nu, vandaag, dat laatste zinnetje misschien niet aan mijn stukje zou hebben toegevoegd.

Zo zie je. Dat is het lastige met de werkelijkheid: je hebt er nooit echt grip op. Ben ik nu ineens van mening dat mijn grapje echt niet door de beugel kon? Nee, dat ook niet. 

Net kreeg ik weer een mail, nu van een andere vrouw. Ze schrijft: ‘Hahahahaha, je slotzin is het enige grappige in deze kuttijd.’

Zo zie je, zo zie je. De ene vrouw kwets ik, de andere bied ik een beetje verlichting. Ik weet het verder ook niet. We doen uiteindelijk maar wat. En zo kom ik toch weer uit bij dat criterium: hoe denkt de persoon die de grap maakt er werkelijk over? Misschien is dat het enige waar we op af kunnen en moeten gaan.

Ik schrijf dit aan de tafel in de huiskamer, voor het raam. Ik kijk uit op de hazelaar in mijn voortuin, die me spoedig het zicht op de straat zal ontnemen. Ter afsluiting dit keer een haiku:

De blaadjes groeien.

Iedere dag meer blaadjes.

De herfst heeft geduld.

 


Abonneer je op deze stukjes!