Ik ging haar niet tot een onderwerp van melodrama maken, de eend. Dat besloot ik. Het was ochtend. Met vriendin R., bij wie ik had gelogeerd, liep ik langs de Rotte, de rivier in mijn geboortestad Rotterdam. We hadden net ontbeten aan het water; een onverwacht zonnige dag had zich tussen het rijtje met de recente regendagen weten te wurmen. De eend die we zagen dreef op het water, zoals eenden doen, met haar kop onder water gestoken, ook zoals eenden doen. Toch was ze dood. Ze bewoog niet en haalde haar kop niet uit het water, alsof ze tijdens het zoeken naar voedsel een hartaanval of herseninfarct had gehad. Heel lang geleden kon dit niet gebeurd zijn, want dan drijft een eend niet meer zo, vermoedde ik; haar waterafstotende verendek was nog perfect intact. Andere eenden zwommen haar voorbij; ik dichtte hen harteloosheid toe.

‘Wauw,’ zei ik, of misschien zei vriendin R. dat, of misschien zeiden we het geen van beiden, maar in ieder geval was dat wat we dachten.

Een drama ging ik er echter niet van maken; geen groots en zwaar verhaal over leven en dood, over eeuwig terugkerende tragiek, over de vergankelijkheid der dingen en de verraderlijke illusie van controle. Ik zou er slechts eventjes verwonderd naar kijken, naar die eend, en er dan mijn schouders bij ophalen. Dat zou alles zijn. En zo geschiedde. ‘Tjonge,’ zei ik nog, voor we verder liepen.

Toen ik afscheid had genomen van R. dronk ik op een terrasje naast centraal station koffie met mijn alleenstaande vader. Hij woont in Rotterdam, in (of op?) Katendrecht, in een nieuwbouwflat, op de bovenste etage, op zeventien hoog, met uitzicht op het water en oude silo’s en Hotel New York, maar ook op de andere nieuwbouwflats die om hem heen worden gebouwd en die steeds meer zicht ontnemen.

We spraken over corona. Het houdt hem bezig: in Rotterdam neemt het aantal gevallen flink toe; hij is op leeftijd en ook heeft hij wellicht wat overgewicht; bovendien heeft hij een flink deel van zijn leven gerookt. Hij is aldoor waakzaam en mijdt drukke plekken. Om grip op de zaak te houden—of het gevoel van grip—is hij tot het woonbestuur toegetreden. Er woedt daar nu een strijd. Mijn vader hangt briefjes op met nieuwe huisregels en maatregelen, en andere mensen trekken die er dan boos weer vanaf. De maatschappij in het klein, in een flat, met een lift de omhoog en omhoog en omhoog gaat, helemaal tot de zeventiende etage, waar mijn vader voor zijn twee schuwe katten zorgt en uitkijkt over een ruwe stad die niet meer veilig voor hem is.   

Maar ook hier ging ik geen groot en dramatisch verhaal van maken. Ik stapte in de trein naar Eindhoven, keek uit het raam en zag een zonnige herfstdag waar niets mis mee was.

Pas toen ik de conducteur aankeek, zijn gezicht verscholen achter een mondkapje, en ik zijn angstige blik volgde, raakte ik in paniek. In de lucht, ver weg, vloog een zwerm eenden. Waar ze vlogen was het bewolkt en grijs. Er was iets mis met hen. Hun koppen hingen laag, precies zoals bij die eerdere, dode eend. Het mooie weer was plots verdwenen. Regendruppels sloegen te pletter op mijn treinraam. Er stond iets verschrikkelijks te gebeuren; ik begreep niet hoe ik dat had kunnen vergeten.

 


Je kunt je gratis op deze stukjes abonneren. Je krijgt ze dan per nieuwsbrief. KLIK HIER.