‘Ik wil hier wonen,’ zei mijn ex op Terschelling. Ik had hetzelfde. De frisse lucht, de zee, de duinen, de bossen. Weids en toch overzichtelijk. Je kunt er niet verdwalen; je bent altijd zo bij een kust; dat geeft rust. Het zilveren licht, de weilanden. De stilte, zelfs in het hoogseizoen, zelfs als het lawaaiig is. Maar meer nog dan dat: de afzondering. Het is alsof de sores en het gevaar van de wereld je er niet naartoe kunnen volgen. (Onzin, natuurlijk; moet je al die bunkers zien.)

Er wonen. Ja. Ik zou iedere avond wel op de dijk kunnen staan en naar het wad kunnen turen. Het water verdwenen, een gestrand schip dat rustig wacht op vloed. Amper een mens te bekennen, en als je wel een mens ziet dan telt die niet echt, zoals ook een nat sneeuwvlokje niet echt telt, omdat je weet dat het toch zo is gesmolten. Links dat wad, rechts de weilanden. Alleen maar dat. Niets meer dan dat. Hoe langer je ernaar kijkt hoe meer je zelf lijkt te verdwijnen. De ruwe wind gumt je uit. Ik wil iedere dag wel worden uitgegumd.   

Ik was er een week met mijn ex en onze kinderen. Ik vertrok gisteren, zij blijven nog een paar dagen. Ik nam de sneldienst, labiel en moe van alle drank en het afscheid. Mijn hart verscheurd. Ik tuurde uit over de zee, zilvergrijs klotsend. Op een tv-scherm met lokale reclame kwam steeds een nieuwsbericht voorbij: ‘Maarten van der Weijden zwemt tweemaal het kanaal over.’ Ik keek weer uit het raam zag hem daar zwemmen, vlak naast me. Ploegend, zijn eigen armslagen als een mantra, gehypnotiseerd door kou en wind. Gereduceerd tot een soort essentie. Vrij.

Het schip naderde vasteland. Het naderde sores en gevaar. Op Twitter zag ik alle berichten over Charlottesville. De types die de aanslag door de fasistische terrorist wilden bagatelliseren en relativeren. Geert Wilders die de KKK parafraseert en schrijft: ‘Onze bevolking wordt vervangen. Genoeg is genoeg.’ De leider van de op één na grootste partij van Nederland die openlijk de Ku Klux Klan bewondert, zo ver zijn we dus gekomen. En dan Santa’s little helper, Thierry Baudet, met zijn misogynie, zijn stiekeme rassenleer en zijn fantasieën over een gezuiverd Nederland. Twee zetels. Nu nog.

Tegenover me zaten een paar jonge jongens. Zeventien, achttien. Die waren natuurlijk naar jeugdcamping Appelhof geweest. Hun ogen loom, hun tassen groot en vies. Ik stelde me voor hoe ze werden uitgezonden naar een slagveld. Vechten tegen het kwaad. Of misschien wel in naam ván. Misschien wel in het leger van Baudet. Witte jongens uit het Noorden. Alle traditie en folklore in tact. Geef hen een geweer en wat indoctrinatie.

Donkere gedachten. Zoals ik al zei: ik was labiel en moe en melancholiek. Ik miste mijn gezin. Ik miste dat eiland. Ik wilde terug. Ik wilde vluchten. Wegkijken. Op die dijk staan en zien hoe het water komt en gaat, komt en gaat.


Deze stukjes automatisch per mail ontvangen? Klik hier. Mijn laatste boek lezen? Het heet Wij zeggen hier niet halfbroer.