Wat ik de sportschool tegenwoordig veel doe: springen. Ik zet een houten blok neer, een soort grote kubus, en dan spring ik erop, en eraf, en zo door. 

Een bekende zag het me doen en vroeg: ‘Lekker aan het springen?’ Waarop ik zei: ‘Ja.’ 

Ik ging bij haar staan, bij de watertap, waar ik water tapte, en weidde uit over het springen. Zelf wist ik toen ook niet dat ik erover ging uitweiden, of dat er iets uit te weiden viel.

Het zit zo, zei ik. Ik ga meer springen. Ik wil blijven springen.

Mijn zoontjes springen vaak over een vrij lage, maar niet super lage heg. Erachter staat onze auto geparkeerd. Ik loop er altijd netjes omheen, omdat ik een suffe volwassene ben. Bij mij beginnen de eerste pijntjes, het zeuren van de onderrug, het kraken van de knieën. Dat weerhoudt me, of weerhield me, van het springen over de heg. Maar als je niet meer over de heg springt, dan doe je niet meer mee. Dan word je oud. Je trekt je terug in je geest, je vertrekt uit je lichaam, en dan ben je de lul, want eenmaal teruggetrokken in de geest is er nergens meer waar je naartoe kan; je zit gevangen in dat kleine kamertje. Als je niet meer springt ben je alleen nog maar een denker.

Als je nog over heggen kunt springen kun je in principe alles nog. Je kunt ontsnappen aan een ramp. Vluchten bij een gevecht, of gewoon bij tikkertje. En in de lucht, op het hoogste punt, heb je even geen gewicht meer, wat goed is voor je geest, omdat die dan even z’n smoel houdt. Zolang je nog kunt springen leef je nog. Je doet nog mee.

Daarom wil ik blijven springen. Daarom blijf ik springen. Dat vertelde ik bij die watertap in de sportschool.


Ik schrijf deze stukjes zonder opdrachtgever. Kleine financiële bijdrage leveren? Zou ik leuk vinden. Kan hier. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.