Een vrouw te paard in het bos keek op haar telefoon. Met mijn nieuwe fiets reed ik over een dun, verhard pad. Het was een open plek in het bos. De vrouw op het paard kwam me tegemoet op een zandpad. Ik zag het eerst aan haar houding: gebogen hoofd, neerwaardse blik. Het paard sjokte door het zand. De vrouw, kalm met haar telefoon in de hand, keek niet op of om.   

Ik was gaan fietsen voor de gezondheid van mijn geest. Ook wel voor die van mijn lichaam, maar het ging me voornamelijk om mijn geest. Het groen in, en dan doortrappen onder een lichtblauwe lucht met een zachte zon. Als mijn fietstocht al iets met mijn telefoon te maken had, dan was het dat ik juist een beweging bij mijn telefoon vandáán maakte. Hoe verder ik fietste, en hoe dieper ik het bos inging, hoe meer van mijn ziel ik kon terugwinnen.

Ik zag die vrouw en dacht: hoe durf je, hoe kun je. Op deze plek in het bos, op een prachtig paard, onder deze lucht. Je geest vervuilen met al die ruis! Het paard maakte het erger; het was een symbool voor oudere, simpelere tijden. Had de vrouw niet op dat paard gezeten dan was ik minder verbolgen en verslagen geweest.

Andere mensen met een telefoon maken me altijd somber. Ze zijn symptomatisch. Het beeld zegt iets heel ergs over deze tijd, namelijk dat we de verkeerde kant opgaan en verloren zijn.

Van mezelf, echter, kan ik het altijd wel begrijpen. Als ik zelf met mijn telefoon bezig ben, bedoel ik. Het is dan gewoon zo dat ik even iets moet opzoeken of met iemand in contact ben.

Het komt voor dat ik in de trein zit en een boek lees terwijl ik daar eigenlijk al helemaal geen zin meer in heb. Als ik zie dat er verder niemand een boek leest, en iedereen een telefoon in de hand heeft, dan voelt het alsof ik, door te blijven lezen, de wereld van een afgrond red. Zou ik mijn boek wegstoppen (wat ik eigenlijk wil) en mijn telefoon erbij pakken (wat ik eigenlijk wil) dan is er niemand meer die nog een boek leest. Dan is alles verloren.

Ik zou wel willen weten hoe lang die paardenvrouw al op haar telefoon had zitten kijken toen ik haar tegenkwam, en ook hoe lang ze daarna nog op haar telefoon heeft gekeken. Zodat ik weet hoe ernstig het is, hoe erg het precies met de wereld gesteld is.

Het was in ieder geval geen noodgeval of noodzaak dat ze op haar telefoon keek, die vrouw. Dat zag ik aan haar houding: verveeld en lui en achteloos. Swipen zonder emotie.

Het paard sjokte voort en kon het allemaal geen reet schelen. Hij kakte op het pad. 

 


Je abonneren op deze stukjes is GRRRRATIS