Van collega-schrijver Barry Smit kreeg ik een boek met de brievenwisseling tussen John Fante en H.L. Mencken cadeau. Het boek bleek ik al ooit gelezen te hebben. Logisch, want er was een tijd dat ik koortsig in een zo kort mogelijke periode álles van Fante las. Niet erg; ik las het nu met plezier opnieuw. (Thanks, Barry.)

Fante was de man die me ertoe bracht romans te willen schrijven. Ask The Dust had ik voor een paar euro gekocht in een winkeltje in Deventer. Ik las nog niet zo lang boeken en vond vooral Bukowski leuk. Ik was vierentwintig. Het lezen van ATD was een fysieke ervaring. De jeugdige bravoure, het vertelplezier, de pretentieloze stijl. Het was alsof ik het zelf schreef terwijl ik het las. Alsof ik tegelijkertijd zowel de lezer als de schrijver ervan was. Alsof ikzelf was verdwenen. Misschien was het dus zelfs wel een spirituele ervaring. In mij ontwaakte een diepe onrust, of honger, en ik begreep al snel dat ik niets anders meer wilde of kon dan een eigen roman schrijven.

De jaren daarna is Fante altijd in mijn leven gebleven. Ik ging zelfs naar de Abruzzen om mee te werken aan een documentaire over zijn Italiaanse roots en zijn vader. Ik ben hem gaan beschouwen als een vriend. Hier in de huiskamer hangt een foto van hem en Rocco, zijn valse bulterriër.

De briefwisseling was opnieuw mooi om te lezen. H.L. Mencken, een gelauwerde journalist en schrijver en tevens de hoofdredacteur van literair tijdschrift The American Mercury, aanbeden door de jonge Fante, beantwoordt bondig maar hartelijk de epistels van de jeugdige schrijver die nog maar net zijn eerste korte verhaal heeft gepubliceerd. Fante stuurt hem nieuwe korte verhalen die Mencken soms wel en soms niet publiceert. Fante werkt aan zijn eerste roman en gaat voor filmstudio’s schrijven.

De jaren verstrijken. Fante wordt ouder. Hij trouwt en krijgt vier kinderen. Hij verkloot zijn tijd op de golfbaan en drinkt te veel. Zijn toon in de brieven wordt wat minder opgefokt, hij probeert minder indruk op Mencken te maken (maar probeert nog steeds indruk te maken). De romans die hij schrijft verkopen slecht; hij verdient zijn geld met filmscripts die zelden in productie worden genomen.

Mencken blijft terugschrijven, immer even bondig (een druk man) maar immer even warm. Je voelt zijn vertedering, alsof je hem zijn brieven ziet schrijven met een warme glimlach. Waar Fante maar een komeetje was in het literaire universum van die tijd, was Mencken een supernova, en toch las hij ieder verhaal en ieder boek dat Fante hem ooit stuurde. De twee hebben elkaar nooit ontmoet.

Mencken krijgt een hersenbloeding en een hartaanval en is de oude niet meer. Fante stuurt hem een brief en het manuscript van Full of Life, zijn meest commerciële en (destijds) meest succesvolle roman. Maar het antwoord komt niet van Mencken. Het is diens secretaresse die terugschrijft: ‘Mr Mencken, unfortunately, is still ill and it is quite impossible for him to write you. But he is certainly delighted to hear that you have sold the manuscript to Stanley Kramer for such a handsome price. Mr. Mencken can’t read the book at this time, but if he sufficiently recovers to do so, sometime later in the year, he wil certainly go through it with the greatest pleasure.’ 

Maar dat herstel komt niet. Fante neemt zich voor om hem te bezoeken, maar dat wordt hem afgeraden door de secretaresse. Ook maar liever geen cadeautjes of boeken sturen, want Mencken kan allang niks meer lezen. ‘Please don’t send him anything at all. It is kind of you to think of him, but presents embarrass and upset him.’

Daarna zijn er geen brieven meer. Mencken sterft in 1956. Fante leeft nog zevenentwintig jaar, alvorens in 1983 te sterven aan de complicaties van diabetes.

Die stilte ineens, na die brieven, greep me me bij de strot. Niet alleen omdat die mannen elkaar én het leven hebben moeten loslaten, maar ook omdat het was als het uitdoven van twee kaarsen terwijl één van die twee kaarsen nog een kleine drie decennia gebrand heeft. Marcus Aurelius vergeleek mensenlevens met brandende stokjes wierook: dat het ene wat langer is en wat langer brandt dan het andere doet er niet toe; het is allemaal zo kort dat het verschil verwaarloosbaar is. Dat voelde ik ineens. En toch… Toch zit ik hier te typen en kijk ik naar de stromende regen en lijkt deze ochtend een eigen leven te hebben, en bol te staan van betekenis.


Je kunt je gratis op deze stukjes abonneren. Dat doe je hier. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.