Zonder mezelf op de schouder te willen kloppen: ik trap lekker door. Dit gaat lekker zo, de beentjes zijn goed bezig. Over een minuut of vijf ben ik op het station. In mijn hoofd werk ik door aan mijn boek. Dat is een mooie symbiose: het werken van de spieren en het werken van het brein. Zie me gaan!

Voor me fietst een stel van begin veertig. Ze dragen allebei een felgekleurd, effen jasje. Zij een fluorescerend gele, hij een laf blauwe. Hij heeft stekeltjes. Ze fietsen niet hard en zijn allebei aan de zware kant. De man steekt schuin de weg over, de vrouw blijft rechtdoor fietsen. Ik ga haar inhalen. Dan besluit ze om toch ineens schuin de weg over te steken, haar man achterna. Ze kijkt niet over haar schouder. Ik ben juist aan het inhalen en moet vol op de remmen, accuut ernstig verontwaardigd. 

‘Kijk uit!’ roep ik. ‘Jezus! Kijk even over je schouder!’ 

Bij zowel de vrouw als de man gebeurt hetzelfde: eerst is er lichte schrik, misschien zelfs een heel klein beetje schuldbesef, en dan treedt het zelfrechtvaardigingsmechanisme in werking; de verdediging, de gespiegelde verontwaardiging. Saving face.

‘Ge kunt ôk gewoon effe bellen!’ roept de man.

‘Bellen?!’ roep ik, en minder vaart. ‘Helemaal niet! Zij moet over haar schouder kijken. Dat zijn gewoon de regels hè!’

‘Maar dan kende nog steeds bellen!’ roept de man.

‘Ik had geen tijd meer om te bellen!’ roep ik.

Het gezicht van de vrouw is nu één en al agressie. ‘Rij gewoon door!’ roept ze. ‘Rij gewoon door jonguh!’ Een sterk argument waar ik zo snel geen antwoord op heb.

En dan doe ik het. Met mijn linkerhand laat ik mijn stuur los en ik wijs naar haar. Ik wijs naar haar en roep: ‘Mooi jasje!’ Ze kijkt beteuterd. Ik trap door en maak weer tempo. Ik heb gewonnen.

Verderop rijd ik achter een vrouw op een scooter. Ik adem haar uitlaatgassen in. Ze rijdt langzaam genoeg om in te kunnen halen, dus dat doe ik. Maar dan gaat zij harder rijden en haalt mij in. Weer adem ik dat gas in. ‘Jezus!’ roep ik. ‘Gaatie lekker zo?!’ Ze heeft geen flauw idee waar ik het over heb, maar ze is wel flink geschrokken. 

Op het station haal ik een banaan uit mijn rugzak. Die pel ik heel kalm en heel beheerst, alvorens er lekker van te smullen.


Leuk stukje? Misschien wil je er dan iets voor betalen, of wellicht is een abonnement met leuke extra’s wat voor je. Zie hier. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.