Ik liep van school terug naar huis met een vrouw uit onze straat die daar ook kinderen heeft. Of ik al iets over het coronavirus had geschreven, vroeg ze.

Het antwoord daarop was natuurlijk nee. Anders hadden jullie dat wel geweten. Wat ik tegen haar zei was dat ik geen originele invalshoek wist. Als iets zó prominent aanwezig is, als het in alle media wordt besproken, op alle social media (neem ik aan), bij elke koffieautomaat (neem ik aan), in Zondag met Lubach (neem ik aan), wat kan ik er dan nog over schrijven?

Maar ik snap de behoefte hoor: zolang ik ergens nog niet over heb geschreven bestaat het niet.

Het enige wat ik weet is dat alles veel te snel voor me gaat. Alles. Drie weken geleden was er nog helemaal geen coronavirus in dit land, en nu ligt alles op z’n gat. Maar dat is het niet alleen. Ik hou het allemaal niet meer bij. Iets simpels als een nieuwe dag: daar begrijp ik al niks meer van. Ik heb nergens controle over. Het gebeurt allemaal maar gewoon.

Ik had laatst een lek op zolder. Toen ik er een emmer onderzette begon het op een andere plek ook te lekken. Zo voelt het, als in een tekenfilm: een poppetje steekt z’n vinger in een gaatje in de dijk, en dan is er ergens anders een nieuwe waterstraaltje, en steekt hij daar zijn vinger in, en dan weer een ander straaltje, tot die dijk het begeeft en instort en wordt overspoeld.

Wat zou de metafoor van dat instorten kunnen zijn in de echte wereld? Wat vrees ik? Wat nadert? De dood? Zou het zo voor de hand liggend zijn? Ik weet het niet, maar het is groot. 

Ik had ooit een bejaarde vriend genaamd Huub van Bijnen, artiestennaam Heintje Bondo. Ik kwam wel eens bij hem thuis; het stonk er naar kattenpis en zweet. Huub had vaak gore kleren aan. Dan zei ik: ‘Huub, trek eens een schone broek aan!’ En dan antwoordde hij: ‘Waarom? Die wordt dan toch weer vies.’ Die logica vond ik destijds lachwekkend, maar nu, zoals ik me nu voel, begrijp ik hem wel, en vind ik het een valide argument. Vingers in de dijk.

Mijn jongens worden maar groteren en groter. Ik vrees dat ik nog iets met ze had moeten doen toen ze kleiner waren. Iets wat ik vergeten ben. Wacht even, wil ik steeds tegen hen zeggen. Wil ik tegen álles zeggen. Wacht…

Er is iets niet in de haak. Er zit iets scheef. Als ik gewoon héél even de tijd had om het recht te zetten, weer compleet te maken, op orde te brengen…

Je moet toch óóit ook eens naar iets moeten kunnen kijken en zeggen: ‘Kijk, dat is gewoon dat. Dat daar, dat is hoe het is, daar kun je van op aan.’

 


Deze stukjes gratis per mail? Nou, dat kan hoor! Klik HIER.