Sinds gisteren denk ik steeds aan Griet Op de Beeck. Ik kan er niks aan doen. Het komt door de recensie in De Groene Amsterdammer, door Christiaan Weijts. Op Twitter, ongeveer een week geleden, maakte ik een voorspellend grapje: ‘Zijn er eigenlijk al vernietigende recensies door literaire snobs geschreven van dat Griet Op de Beeck boekenweekgeschenk? Zo ja, waar dan?’

Het was een vreemd, bijna schizofreen grapje. Dat zie ik nu in. Wat wilde ik er eigenlijk mee zeggen? Dat het allemaal zo tergend voorspelbaar is, zo doorzichtig, en daardoor zo deprimerend. Maar aan de andere kant zag ik ernaar uit, naar die recensies van het boekenweekgeschenk. Leedvermaak. Specifieker had het te maken, denk ik, met de behoefte aan het scheiden van koren en kaf. Het is dezelfde behoefte als die van Weijts: dit is goede literatuur en dit niet. En dit hier, deze auteur die honderdduizenden boeken verkoopt, is het níét. Dat lucht op, want Weijts en ik verkopen geen honderdduizenden boeken; een kromme situatie die moet worden rechtgezet, en met een recensie als deze kan het evenwicht ietwat worden hersteld.

Niet zelden is een lelijke mening over een ander in feite een kwast waarmee je jezelf mooi tracht te schilderen. De wereld hangt vol met spiegels, tenslotte.

Goed, al stoor ik me mateloos aan hem en zijn toontje (‘Griet is echt een tafelwijntje,’ zegt hij na de recensie nog op Twitter, alsof het niet al duidelijk was), ikzelf ben misschien nog erger. Ik laat types als Weijts het vóór me doen. Thuis zit ik er zelfvoldaan van te smullen, alsof ik via hem mijn gram heb gehaald.

Lelijk, lelijk. Maar ach, wie zonder zonde is werpe de eerste steen, dat weet ik ook wel. Ik kan de lelijkheid in mezelf herkennen, erkennen en afwijzen.

Maar ik zie Op de Beeck steeds voor me, in zaaltjes door het land, met de stem van Weijts in haar hoofd. Het komt door het cynische beeld dat hij schetste in zijn recensie: ‘Griet Op de Beeck zal de komende week in allerlei zaaltjes gaan vertellen dat ze een taboe heeft aangesneden…’

Weijts koppelde zijn kritiek aan de aanstaande optredens van de auteur, aan duidelijk omlijnde momenten in haar nabije toekomst waarop ze moet presteren en in zichzelf moet kunnen geloven. Als een boogschieter schoot hij zijn gifpijl in haar brein, in haar zelfbewustzijn. Ze kon de recensie weggooien, hem proberen te vergeten, maar de pijl zat vast en het gif werd ieder optreden weer geactiveerd. Was ik haar, had ik deze recensie gelezen, dan zou ik ieder opreden weer aan zijn woorden denken, hem horen lachen bij alles wat ik vertelde. 

Tja, het is wat het is. Hoge bomen vangen veel wind. Op de Beeck koos er zelf voor om dat geschenk te schrijven. Recensies horen erbij. Maar ik denk er steeds aan. Aan Op de Beeck, in zaaltjes en boekhandels, en aan de rijen mensen die haar handtekening willen, en aan die pijl van Weijts in haar hoofd, aan Weijts voor de spiegel, en aan mezelf, hoe ik van zijn recensie genoot.


Op 27 maart verschijnt mijn nieuwe boek met memoires: Berichten uit het tussenhuisje.