Zoals iedere woensdag zat ik in het dorpshuis van Veldhoven te wachten tot mijn jongste zoon klaar was met toneelles. Ik zat in een kamer met een eiland van tafels en daaromheen stoelen, en een boekenkast. Ik zat er in m’n eentje; de meeste andere ouders wonen in Veldhoven en wachten gewoon thuis. Ik woon in Eindhoven, wat te ver is om heen en weer te rijden.

Er komen veel oudjes in het dorpshuis. Die zitten meestal in de ruimte met biljart, sjoelen en klaverjassen, maar nu kwam er één, een bejaarde man, deze kamer in. Iedere stap leek hem pijn te doen. Ik begroette hem met een hoofdknikje. Hij zag me zitten, maar zijn lichaam en de reis kostten hem te veel moeite om me echt te registreren. Ook was ik te jong, en misschien te stads, of te vreemd, met die tatoeages ook, om als relevant medemens te zien.

Hij hinkte naar de boekenkast en liet zich in een stoel zakken, er vlak voor. Zuchtend begon hij er boeken uit te pakken. Hij sloeg ze open en zette ze terug. ‘Goddomme,’ zei hij. ‘Die heb ik allemaal al gehad.’ Meer boeken, het één na het ander. ‘Goddomme, goddomme.’

Even daarvoor had ook ik een boek uit de kast gepakt. Het leven is verrukkulluk, van Campert. Ik had de eerste twee pagina’s gelezen, was er niet ingekomen – ja, een klassieker, ik weet het – en had het verruild voor mijn telefoon. ‘Ik heb deze nog,’ zei ik, en hield het omhoog. Direct had ik spijt, want de moeite die het hem kostte om A) te beseffen dat er nog iemand in deze ruimte was, B) zijn hoofd om te draaien, C) mijn bestaansrecht te erkennen, D) een reactie op te dreggen, was zonder twijfel groter dan het attent maken op dat ene boekje ooit kon rechtvaardigen.

‘Die hèt zeker ôk een gruun streepke?’ vroeg hij.

Eerst wist ik niet wat hij bedoelde, maar toen keek ik op de eerste pagina, zoals hij ook bij al die boeken had gedaan, en zag ik een groen streepje. ‘Ja,’ zei ik.

‘Goddomme,’ zei hij, en ging weer verder met boeken trekken.

Mijn zoontje zou nu ongeveer wel klaar zijn. Ik stond op en liep naar de deur. ‘Heeft u echt al die boeken al gelezen?’ vroeg ik.

Hij keek naar me, opnieuw met een soort verbazing, of ontzetting, alsof mijn bestaan niet in overeenstemming was met het Grote Gaan der Dingen. Toen zijn ogen eenmaal een beetje aan me waren gewend zei hij: ‘Ik nie. Mun vrouw.’

Op dat moment kwam er een tweede oude man binnen. ‘Witte gij wel wie dit is?’ vroeg hij aan me. ‘De directeur van Daf. Nu nie meer natuurlijk, maar vruger. Nu issie negentig.’

‘Goddomme,’ zei de voormalig directeur van Daf toen hij het zoveelste boek met een groen streepje uit de kast had getrokken. Hij zette het terug, zuchtte en gaf het op. Een nieuw boek meebrengen voor zijn vrouw, zelfs dat zat er niet meer in. ‘Goddomme,’ zei hij een laatste maal, alsof hij er daadwerkelijk God mee wilde verdommen. Alsof hij Hem wilde zeggen: ‘Gooi me dan maar in de kist, klootzak.’


Een plus-abonnement met extra’s of een eenmalige donatie doen? Klik hier. In maart verschijnt Berichten uit het tussenhuisje.