De Bezige Bij stuurde me een boek toe (ze hopen dan dat je erover gaat twitteren of schrijven, wat ik dus nu doe; missie geslaagd). Een boek van Yuval Harari: 21 lessen voor de 21e eeuw. Het gaat over de problemen die we al hebben en die ons te wachten staan: het ontoereikende en onbevredigende liberalisme, de wankele democratie, de duizelingwekkend snelle veranderingen op het gebied van tech, biotech en met name artificiële intelligentie.

Het is bepaald geen boek voor wanneer je een pessimistische of angstige periode doormaakt, en laat ik nu net een pessimistische en angstige periode doormaken. Ik vermoed dat Harari ook hoop te bieden heeft, maar dat die hoop pas wat verderop in het boek staat, en ik weet niet of ik het tot zo ver zal redden. Misschien moet ik doorzetten, want als ik nu stop blijf ik achter met dystopisch onbehagen, en dat is voor niemand leuk, vooral niet voor mij, en misschien zelfs niet voor Harari, die ook maar gewoon zijn best heeft gedaan.

In de trein las ik een passage die me bijzonder fascineerde (en vanzelfsprekend beangstigde). Harari legde uit dat machines met artificiële intelligentie in principe hun eigen economie draaiende zouden kunnen houden, zonder menselijke afnemers. Ik dacht daaraan terwijl ik keek naar een dikke wesp die aldoor tegen de binnenkant van het raam botste, tegengehouden door een krachtveld dat hij niet kon zien of begrijpen. Aan de andere kant van het raam: weilanden, sloten, koeien, de lucht. Die machines, waar werkten die eigenlijk voor? Wat gingen ze kopen met hun winst? En waarom hadden we ze eigenlijk gebouwd?

Achter me zaten twee slimme studenten. Ze maakten grapjes die hun nerd-zijn verraadden; van die heel slimme grapjes die zonder het slimme element niet zo héél grappig zijn. Ik ving een stukje gesprek op over Fortnite, de online game die momenteel wordt gespeeld door jeugd over de hele wereld. ‘Als ik kinderen had zou ik die er heel ver bij vandaan houden,’ zei één van de twee. Meteen was ik bang, of nog banger; mijn zoons spelen het ook. ‘Ik speelde dat spel vroeger met stokken in het bos,’ zei de ander lachend. Nóg banger: mijn zoons spelen nooit in het bos.

De wesp bleef tegen het raam bonken. Niemand lette erop. Ik kon er niet bij, maar anders had ik hem doodgeslagen. Zijn onbegrip – het feit dat hij niet snapte dat het glas hem tegenhield – maakte me woedend.

Op het station rekende ik wat te eten af bij de AH. Ik scande mijn producten bij de onbemande kassa. Er was ook een kassa met een mens erachter, maar daar stond niemand; de onbemande kassa’s zijn veel sneller. Zo gebeurt het; zo lopen we in de val.


Leuk stukje? Overweeg eens een abonnement. Ik schreef ook boeken, zie daarvoor de pagina met info.