Gisteravond was Tegenlicht op tv. Het ging over de nieuw rechts in Duitsland. De schaamte voorbij had een ondertitel kunnen zijn. Met weemoed dacht ik terug aan mijn jeugd, toen je nog racistische skinheads had. Dat was tuig, dat zag je en dat wist je. Je kon ze gewoon tuig noemen en dan was alles duidelijk. Ze maakten zichzelf belachelijk en waren overduidelijk niet zo slim. Je kon ze uitschelden en dat voelde prima; goed en kwaad waren duidelijk van elkaar te scheiden.

Nu hebben ze hippe baarden en brillen en een kalme, intelligente glimlach op hun gezicht. Je plaatst ze eerder in een trendy koffiezaakje in Oost-Berlijn, nippend aan een cortado, dan sieg-heilend bij een concert van Skrewdriver. Als je deze types uitscheldt ben jíj degene die er belachelijk uitziet. Ineens ben jíj de barbaar. Een mooie scène in de uitzending is de groep antifa-mensen die luidruchtig komt protesteren bij een live gesprek tussen twee van die mannen. De twee blijven kalm zitten en rollen slechts met hun ogen: daar heb je die onaangepaste bruten van links weer.

Er is, kortom, iets veranderd. Deze mannen laten zich gewillig filmen en interviewen door linkse media. Ze stonden ook de journalisten van Tegenlicht beleefd te woord. Ze wíllen juist dialoog. In tegenstelling tot links, zeggen ze, die weigeren met hen te praten. Het is alsof ze zo zeker zijn van hun nieuwe methode, en van de voedingsbodem voor hun boodschap (we raken onze identiteit kwijt, er zijn teveel immigranten), dat ze van ieder medium graag gebruik maken, en dus ook van linkse media, zich bewust van het onbehagen in de samenleving en gesterkt door de zekerheid dat ze eindelijk de juiste manier hebben gevonden en de juiste snaar hebben geraakt. Kalm blijven, de tijd nemen, in gesprek gaan, publiceren. De tijdgeest de rest laten doen. Op geen enkele manier voelen ze nog schaamte of de drang om in de schaduw te opereren.

Hoe kalmer zij blijven, hoe sneuer de boze linksen erbij afsteken. Nog even en de angry white man wordt geassocieerd met links.

In hun beleefde glimlach zag ik een soort zelfverzekerdheid die grensde aan neerbuigendheid. Ze zijn al vérder dan de rest, die nog gelooft in oude mythes, die is blijven hangen in oude opvattingen over politiek en cultuur. Als ze linkse media te woord staan doen ze dat zoals je een kind te woord staat. Ze snappen de onwetendheid heus wel; er moet worden onderwezen. Ze zijn woke, een term die, ironisch genoeg, vooralsnog is voorbehouden aan de politiek correcten.

Verdomme, dacht ik. Ze hebben een manier gevonden. Geef me dan Wilders maar; die heeft tenminste nog het uiterlijk van de slechterik in een James Bond film. Maar helaas: uit het verrimpelde lijk is de flitsende Baudet tevoorschijn gekomen.

‘Die adelaar op de kast,’ vroeg de journalist in het kantoor van die mannen. ‘Dat is toch gewoon een knipoog naar het derde rijk?’ Verbaasd keek de jongen naar het verweerde en beschadigde oude beeldje op de kast. ‘Dat ding? Nee joh, dat vond ik gewoon mooi.’

Maar je zag het beest al vleugels krijgen.


Je abonneren op deze stukjes kan hier. Mijn nieuwste boek heet Berichten uit het tussenhuisje.