Als de jongen de bus instapt zie ik wel dat hij een helm draagt, maar nog op geen enkele manier vind ik het opmerkelijk. Mijn blik blijft er lui op hangen, ik pieker over andere dingen. Maar zoals dat gaat: onbewust blijf je ergens aan plakken en al snel word je je gewaar van je fascinatie.

De jongen, van een jaar of zestien, heeft helemaal geen fiets. Ook geen step of skateboard. Hij draagt alleen een schoolrugzak. De zwarte helm zit hoog bovenop zijn hoofd en lijkt op een helm voor wielrenners, maar dan van een soort leer gemaakt.

Bedeesd checkt hij in en loopt dan met gebogen hoofd haastig naar een stoel. Ik staar te lang naar hem, denk ik. Hij voelt waarschijnlijk mijn blik branden. Maar misschien voelt hij altijd ieders blik op hem branden, omdat hij denkt dat iedereen altijd naar hem kijkt, of dat nou zo is of niet.

Een associatie dient zich aan. Een herinnering. Vroeger, als ik naar een bepaald vriendje fietste, kwam ik altijd langs de grote tuin van een psychiatrische instelling. Je had daar mensen met precies zo’n helm op, en soms zag ik waarom: dan stond er eentje met zijn hoofd tegen de muur te bonken.

Ik kan het niet helpen, ik kijk opnieuw naar de jongen. Nee, besluit ik. Hij is geen muurbonker. Misschien heeft hij ernstige epilepsie en kan hij ieder moment vallen. Hij vangt mijn blik en kijkt met wat ik denk dat zinderende woede is. Ik weet heus wel wat je denkt, lijkt hij te willen zeggen. Dat ik een debieltje ben, dat ik niet spoor. In mij ziet hij alle mensen die hem ooit hebben gepest, en misschien wel zijn ouders, die hem opzadelden met dit gen, en misschien wel God, die alles maakte zoals het is.

De rest van de busrit weet ik mijn blik op de rugleuning voor me te houden. Dan, als ik uitstap en langs ons veldje loop, zie ik het jongetje met het rode bloempotkapsel. Ik dacht dat hij was verhuisd, ik heb hem zeker twee jaar niet gezien, maar daar staat hij weer. Mijn zoontjes zochten destijds wel eens contact met hem, maar hij was te eigenzinnig. Liep zingend en in zichzelf pratend achter een bal aan, alsof die bal een persoonlijkheid had. Altijd liep hij daar in zijn eentje te mompelen en te springen, grijpend naar de lucht. De verbazing van mijn zoons veranderde al snel in hoon en spot, wat ik hen aldoor probeerde af te leren. Zijn kapsel – felrood haar, kaarsrecht afgeknipt – maakte zijn populariteit er niet bepaald groter op. Ook het feit dat zijn vader steevast een motorjack van Kawasaki droeg, maar geen motor had, hielp niet.

Nu zie ik hem weer staan. Langer, kalmer. Een beginnende puber, net als mijn oudste. En kijk, hij staat weer tegen de grond te mompelen. Ocharm… O, wacht, nee, toch niet. Hij laat een hondje uit! Hij praat tegen zijn hondje!

Op dat moment kijkt hij op en ziet hij me kijken. Zijn kapsel is allang niet meer hetzelfde. Van hem krijg ik dezelfde blik als van de jongen in de bus, alsof ik tot de vijand behoor. Dus begin ik direct mank te lopen. De rest van de weg naar huis loop ik scheef en moeilijk. Dat zal hem leren.


Kijk gerust even bij de informatie op mijn website voor een abonnement op deze stukjes of de boeken die ik schreef.