Wat me opviel. Ja sorry, dit stukje gaat weer over dieren. Wat me opviel toen ik in de achtertuin zat te kijken naar een bij die in een blauwe, trechtervormige bloem was gekropen, was het gezoem. Het was hard gezoem, op een hoge frequentie. Een bij maakt natuurlijk sowieso al geluid tijdens het vliegen, door de vleugels. Ik ging ervan uit dat nu het geluid van de vleugels werd versterkt door de klankkast van de bloem, maar toen zag ik dat de vleugels netjes waren opgevouwen. Waar kwam het geluid dan vandaan? Plots begreep ik het. De bij was gewoon gewoon enorm aan het genieten. Zijn luide gezoem was het bijen-equivalent van ‘Hmmmmmm, heeeeeerlijk!’

Zo leer ik dus steeds meer over de natuur. Sinds ik de helft van de tegels in mijn achtertuin heb vervangen door planten heb ik een klein biotoop gecreëerd. Een mini-oerwoud. Het is fascinerend om te zien dat er, schijnbaar uit het niets, ook fauna is ontstaan.

Eén van mijn favorieten is het springspinnetje. Zo noem ik hem. Ik heb net zoveel recht om het spinnetje een naam te geven als een bioloog of ontdekkingsreiziger. Niemand weet hoe de spin wérkelijk heet; alleen de spin zelf, en die houdt het vooralsnog geheim. Het springspinnetje is piepklein, zwart-wit gestreept en heeft geen web. Hij springt, dat is zijn ding. Met een tjoep springt hij van het ene blad naar het andere. Soms overbrugt hij wel drie centimeter. Ter vergelijking: stel je voor dat een mens vanaf de straat op het dak van een huis springt. Dat is niet niks, en dat weet het springspinnetje zelf ook. Hij doet het dan ook niet achteloos. Ik zie hem eerst altijd inschatten en afwegen. Dat duurt even, je ziet hem nadenken. En dan: tjoep. Waarop ik begin te applaudisseren.

Sinds kort wonen er ook felgroene sprinkhanen. Die keuvelen het liefst samen op de bladeren van de inmiddels reusachtige zonnebloemplant. Ik vermoed dat ze ervan eten, maar dat zie ik door de vingers. Over de slakken wil ik het niet hebben, daarover heb ik eerder al geschreven en dat blijft een moeilijk onderwerp. Ik ben er niet trots op.

Eergisterenavond aten mijn zoontjes en ik dorade uit de oven. Het was mooi weer, dus we aten buiten. De vliegen kwamen. Tientallen. ‘Gewoon negeren.’ Dat lukte nog wel, maar ook verschenen er twee wespen, en die zijn nu eenmaal moeilijker te negeren. Mijn jongens aten snel hun bord leeg en renden het huis in. Ik daarentegen bleef kalm zitten, als een boeddhistische monnik tussen de vlammen. Ze gaven elkaar geen rust, de vliegen en de wespen, maar ook de vliegen elkaar niet. Nog nooit had ik zoveel begrip gehad voor de vlieg. Het was verdomme niet makkelijk: je hebt eten gevonden, daar kun je één hapje van nemen en dan word je alweer gestoord door een andere vlieg. Ze gunnen elkaar helemaal niets, die vliegen. Er is ook niemand die voorstelt om een rij te vormen of nummertjes te trekken. 

Maar het mooiste vond ik dit: een wesp die haastig een stukje dorade afzaagde en ermee wegvloog. Dat had ik nog nooit gezien. Een mooi kubusvormig blokje dorade tussen zijn poten, en weg was hij. Opnieuw applaudisseerde ik, in de achtertuin, in mijn eentje, tussen de gonzende vliegen.


Deze stukjes per mail ontvangen? Klik hier.