We zaten aan de sake in een Thais restaurant toen ik werd gebeld door een Belgisch nummer. Eigenlijk wisten we het toen al meteen. Ons hostel. En inderdaad: of we in de gelegenheid waren om te komen praten over de afgelopen nacht; ze hadden onze keycards gedeactiveerd. Nederig en ondanks de vele speciaalbiertjes en sake ineens redelijk nuchter gingen twee van ons – waaronder ik – praten met het hostel. We gaven het meteen toe: degene die ‘s nachts veelvuldig uit zijn bed het gekotst (een stapelbed; ik lag eronder) had niet zomaar de lakens in de vuilnisbak moeten proppen. De borg moesten ze vooral houden. En ook nog extra borg betalen? Natuurlijk, natuurlijk.

De kots had voornamelijk bestaan uit Argentijns eten, van het restaurant van de avond ervoor, waar ons nog voor de koffie werd verzocht om het etablissement te verlaten.

Ik voelde het al toen we – zes jeugdvrienden – in de stad arriveerden. We doen dit ieder jaar, maar nu gingen we harder en sneller dan vorige jaren. We ondernemen die reisjes om alles los te laten, om samen ritualistisch met zware bieren tot het gaatje te gaan. Dus hoe groter de stress van ons dagelijks leven is als we aankomen, hoe groter de ontlading. Ik zat, geloof ik, al na een uurtje of drie te huilen.

De keycards werden weer geactiveerd. We konden blijven. In de eerstvolgende kroeg maanden we elkaar, wanneer we weer te luidruchtig dreigden te worden, eerst nog tot stilte, maar al snel lieten we ook dat weer los. Te veel te vertellen, te veel in te halen, te veel te delen, te veel liefde.

Ja, een groep lompe Hollanders in Vlaanderen. Van het ergste soort. Als je ons van een afstandje ziet zullen we verschrikkelijk zijn. Maar kom je dichterbij dan zul je zuivere harten zien en de mooiste verhalen horen. Je zult het ons gunnen.


Deze stukjes kun je ook per mail ontvangen. Ik schreef ook een roman, Bidden en vallen, waar Mark Cloostermans, een criticus van De Standaard, vorige week een leuk stukje over schreef op zijn weblog