Ik breng mijn jongste zoon naar zijn toneelclubje in Veldhoven, lever hem af bij de juf en merk dan dat de deur naar de ruimte waar ik altijd op hem wacht op slot is. Het clubje is in een buurtcentrum. Een dorpshuis. Ik loop naar de enige andere ruimte die open is, waar bejaarden aan tafels zitten te kaarten, staan te biljarten en te sjoelen. Ik zie er moe uit, draag een trui met hoodie, heb een boek in de hand. Als ik binnenkom word ik kort aangestaard, maar niemand durft lang te kijken; mijn tatoeages zijn als fel zonlicht. 

Als ik een tijdje rustig op een stoel tegen de muur heb zitten lezen word ik vergeten. Ze kletsen over van alles. Vooral de dames kletsen. De mannen zwijgen, of zeggen hooguit iets over het kaartspel. De mannen aan de biljarttafel zeggen helemaal niks, hoeven niks te zeggen, geven elkaar misschien en hoofdknikje

Ik lees het boek maar kijk ook aldoor op mijn telefoon, ook als het lampje niet knippert. Nu lezen, neem ik me steeds voor. Nu een hele bladzijde lezen.

Ik kom tot rust. Niet door het boek, maar door deze ruimte en deze mensen. Het geroezemoes. De vanzelfsprekendheid van elkaars gezelschap, van hun plaats in deze ruimte.

Als puber, en daarna als jonge man, had ik dit verschrikkelijk gevonden. Om zo je laatste jaren te slijten, in een suf dorpshuis met een systeemplafond. Niet ik, nooit ik, o nee, ik niet, I will set this world on fire, en daarna mezelf, ruim voor ik hier eindig.

Ik moet ongeveer zestien zijn geweest toen ik met een paar vrienden, stoned en dronken, een bruine kroeg binnenging en een speelkaart uit de handen trok van een oude man aan een klaverjastafel, waarna ik wegrende. Ik vond het geweldig: de verwarring die ik had gezaaid, de scheur die ik had aangebracht in hun werkelijkheid, de goden die ik had getart. Het betekende iets. Het was wezenlijk.

Nu weet ik beter. Hier in dit dorpshuis weet ik beter. Laat me zo maar eindigen. Aan een biljarttafel met gezichten die ik iedere dag weer zie. Laat iedere dag maar hetzelfde zijn. Juist de jaren voor de dood, als een laatste kamer waarin je niets meer hoeft, waar het allemaal al gedaan en gezegd is, waar de tijd stil lijkt te staan, daar ben je vrij.

‘Is het spannend?’ vraagt een man met mank been als hij me voorbijloopt op weg naar het toilet. Ik zat weer op mijn telefoon te kijken. ‘Ik maakte een selfie,’ antwoord ik. ‘Dus dat valt wel mee.’ Hij lacht met kleine oogjes vol vermaak. Het is een lach die ik herken. Van toen ik al oud was.


Interesse in een abonnement op deze stukjes? Met extra’s! Zo ja, klik dan hier. Ook voor een eenmalige donatie. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.