‘We doen gewoon Guus Meeuwis,’ zegt degene die ik de leider noem. ‘Hoe heet dat ene nummer ook alweer?’ Een ander antwoordt: ‘Het is een nacht.’ De leider bevestigt: ‘Ja, die.’

Ik zie ze niet zitten; ze zitten verderop in de coupé. Met z’n zessen zo ongeveer. Studentes van een jaar of twintig. Ze willen een eigen tekst verzinnen op het nummer van Guus Meeuwis. Misschien hebben ze het vanavond al nodig; ik heb geen idee waarnaartoe ze onderweg zijn; ik denk een soort introductie; ik hoor iets over eten en een kroeg.

Er wordt veel gelachen, er is gêne. Er worden pogingen gedaan tot originele teksten. De meeste meisjes proberen iets en zeggen dan zelf al meteen: ‘O mijn god, dat is echt zó kut.’

Ze kennen elkaar niet heel goed, deze meiden. Dat merk je aan hoe ze tegen elkaar doen: amicaal maar gereserveerd; niemand vliegt uit de bocht of permitteert zichzelf een gewaagde opmerking of grap.

Degene die het meest aan het woord is, is de leider. Zoals in iedere nieuwe groep staat er een leider op. Soms meerdere, en dan is er strijd, maar in dit geval is het er maar eentje. Ik hoor haar stem aldoor. Ze stuurt het gesprek. De anderen schikken zich. Twee of drie anderen hoor ik ook relatief veel, en de rest maar amper. Ik vraag me af wat zij denken. Vinden ze de leider irritant, of voelen ze zich veilig in de schaduw? Maken ze zich zorgen over vanavond? Rillen ze bij het idee daar te staan, in die kroeg, met een A4’tje in de hand?

De leider is niet héél dwingend; haar leiderschap is als een spoor waar haar wielen als vanzelfsprekend in vastklikken. In zekere zin neemt ze de verantwoordelijkheid waar de anderen dat laten. Om niet te bazig te lijken, en sympathie op te wekken, ondermijnt ze zichzelf: ‘Wat een kut-idee is dit zeg.’ Ze weet dat de anderen niet met iets beters zullen komen. En het is maar schijn; ze heeft er hartstikke veel zin in.

Het is een ander meisje dat een zinnetje bedenkt waar iedereen blij mee is. Precies op de melodie: ‘Want wij zijn het mooiste jaar, acht leuke meiden, zo bij elkaar.’

In mijn buik kolkt het van de emoties. Mijn eerste reactie is hoon en spot. Cynisme. Maar dan borrelt er gelukkig ook compassie op. Ze maken er het beste van, die meiden. Zelfs de leider. Verdomme, als zij het niet doet, wie dan wél? Vervolgens stel ik me opnieuw de avond voor, en hoe ze daar zullen staan, met dat A4’tje trillend in hun handen, zingend uit de maat, sommigen onverstaanbaar, schaamrood op de kaken, ongemakkelijk lachend, de leider plots onzeker over haar rol. Mijn god wat wil ik er graag bij zijn. De plaatsvervangende schaamte voelen tot in mijn perineum.


Of je je ook kunt abonneren op deze stukjes? Maar natuurlijk! En ik schreef boeken. Zoek zelf maar even op.