Enkele weken of maanden geleden, toen de lente warm genoeg werd om met het raam open te slapen, viel het me voor het eerst op. Pok, pok, pok. Ergens in een tuin binnen dit huizenblok klonk het alsof er beachball werd gespeeld, met van die houten batjes en een rubberen balletje, maar er werd dan wel maar twee of drie keer heen en weer geslagen, dan weer een paar minuten helemaal niet, en ook werd het vaak midden in de nacht gespeeld, en nooit overdag, dus het waren waarschijnlijk toch geen potjes beachball.

Wat was het dan wel? Er gingen weken overheen. Ik werd er gek van. Bewoog er iets in de wind; een houten knutselwerkje aan een touwtje dat steeds tegen een schutting ketste? Nee, daar was het te willekeurig voor; ook overdag waaide het tenslotte wel eens en dan hoorde ik het niet. Ik kon het niet uitstaan. Hoorden die mensen het dan zelf ook niet? Welke tuin was het? Wat wás het? Ik ging met het raam dicht slapen, ondanks de warmte, en lag in het donker plannen te beramen. Ik zou dertig A4’tjes uitprinten die mijn probleem zouden uitleggen, gericht aan de mensen in kwestie, en ik zou die A4’tjes dan in dertig brievenbussen gooien. Maar overdag had ik dingen te doen, was ik afgeleid en leek de zaak plots minder urgent. Tot ik er ‘s nachts in bed weer met gespitste oren naar lag te luisteren: Pok, pok, pok.

Basta. Ik kon er niet meer tegen en stelde een onderzoek in. Ik stuurde berichtjes naar mensen in dit blok die ik kende, of zij wilden meedenken. Ik beet me erin vast. Uiteindelijk kreeg ik het advies om eens bij nummer X aan te bellen, in de straat hierachter. Ik was iets op het spoor!

‘Ja, dat kan wel kloppen ja,’ zei een man van begin dertig in zijn deuropening. ‘Ik heb een oehoe.’

Een uil! Het was een uil! Daarom hoorde ik het geluid alleen ’s avonds en ’s nachts. En daarom – nu begreep ik ineens alles – hoorde ik soms ook vreemd gekrijs en een soort, nou ja, oehoe-geluid.

‘Je mag wel even komen kijken.’ Hij liep voor me uit, zijn huis door, de achtertuin in, waar hij een houten constructie had gebouwd, een soort open hok. En daar zat de oehoe, in al zijn glorie, zeker een halve meter groot, een verendek dat golvend omhoog kwam en weer ging liggen, alert, zacht sissend, kwaad, wantrouwend, zijn ogen oranje zo fel dat het pijn deed aan mijn ziel; godallemachtig, zo mooi, alsof Jahweh en Lucifer er tegelijkertijd de wereld mee aanschouwden.

‘Dit is hem,’ zei de man. ‘Je hoort die ring, waarschijnlijk.’ Hij wees naar de dikke metalen ring om de poot, waaraan een ketting was bevestigd. In één zelfverzekerde beweging pakte hij toen de oehoe lomp bij z’n poten en hield hem bijna ondersteboven, waarna hij hem op het dakje van het hok neerkwakte. Onttroond en vernederd, deze koning, deze avatar van alles oer en wezenlijk.

Ik hoorde de pok. Het was de ring die tegen het dakje ketste. ‘Ik ben bezig met een nieuw hok,’ zei de man. ‘Dan hou ik er rekening mee en moet je er geen last meer van hebben.’

Op dat moment gebeurde er iets met de oehoe. Zijn verendek golfde hevig; hij leek compleet van vorm te veranderen en zijn oranje ogen zoomden in op iets in de lucht. Daar, in het blauwe hemelgewelf dat iedere dag opnieuw boven hem uitstrekte, maar waar hij alleen maar naar kon kijken, zeilde op de warme lentewind een meeuw. De oehoe zag ons niet meer; hij zag alleen nog maar die meeuw.

‘Nou, alvast bedankt,’ zei ik, en ik liet de uil daar achter, geketend aan een houten hok, in dat stadstuintje, waar hij de beste schrijver van Eindhoven wakker hield.    


Neem vooral een abonnement op deze stukjes. Dat zou ik leuk vinden. Het kan hier.