Toen ik maandag bij de kluisjes in het zwembad licht in paniek raakte dacht ik aan de man tegenover me in de trein, vorige week.

De man was blind, hij probeerde zijn jas op te hangen. ‘Er is geen haakje,’ zei ik. Een degelijk geklede man van een jaar of vijfenveertig, met een degelijke tas en een digitaal apparaat met braille-toetsen. Mensen, verspreid over verschillende bankjes, zaten te kletsen. Kort na vertrek leunde de man in de richting van het geklets en zei: ‘Dit is een stiltecoupé hoor.’ Zijn toon was nog beleefd, maar de irritatie klonk er al in door.

Ik keek naar de ramen en de info naast de deuren. Nergens stond dat we in een stiltecoupé zaten. De paar mensen die hem hadden gehoord keken ongemakkelijk. ‘Het is geen stiltecoupé,’ zei ik.

‘Jawel,’ zei hij ferm. ‘Het stond aangegeven in braille bij de ingang. Het is een stiltecoupé.’

‘Maar hier staat het nergens,’ zei ik kalm. ‘Dus al deze mensen weten dat niet.’

‘Het is een stiltecoupé.’ De man werd onrustig en bozig. ‘Het staat er, ik heb het zelf gelezen.’

‘Dat kan, ik geloof u, maar híér staat het niet. Ik kan het zien.’

Hij wilde het niet van me aannemen. Hij wist dat het een stiltecoupé was, en dus waren de kletsende mensen allemaal in overtreding. Hij hield er niet over op.

‘Ik geloof u,’ zei ik herhaaldelijk. ‘Maar dit wordt praktisch gezien heel lastig. U moet alle mensen gaan vertellen dat dit een stiltecoupé is.’ Pas toen gaf hij op. Hij zei alleen nog boos: ‘Ik ga niet weer ergens anders zitten.’

Toen ik baantjes ging trekken had ik nog maar een halfuur voor het zwembad zou sluiten. Een halfuur vond ik nog genoeg tijd, maar ik wilde zeker niet korter. Het was in een ander bad dan normaal. Ik kleedde me om en wilde m’n spullen in een kluisje stoppen, maar het muntje van vijftig cent – dat ik altijd bij me heb – paste niet. In deze kluisjes moest twintig cent, zag ik nu. Ik vloekte. Ik voelde me machte- en vooral moedeloos. Toegegeven, ik zit al een tijdje niet zo lekker in mijn vel, maar toch blijft het krankzinnig hoe snel dat kan gaan: het gevoel krijgen dat alles naar de tyfus gaat en je er net zo goed maar helemaal mee op kunt houden.

Een medewerkster van het zwembad liep me voorbij en zag de paniek in mijn ogen. ‘Mijn muntje past niet,’ zei ik, wanhopig en boos. ‘Klopt,’ zei ze. ‘In deze moet twintig cent.’ Mijn wanhoop verkleurde naar ergernis. ‘Hoe moet ik daar thuis nou op anticiperen?!’ wilde ik weten.

‘Niet,’ zei ze, kalm als de Boeddha, en met dezelfde mededogende glimlach. ‘Maar gelukkig kun je wisselen aan de kassa om de hoek.

Toen ik in het water lag – nog vijfentwintig minuten over – was ik zo zwaar van het gewicht van mijzelf dat ik niet begreep hoe het kon dat ik niet op de bodem zwom.


Afgelopen vrijdag won ik met Wij zeggen hier niet halfbroer de prijs van Het Beste Boek Voor De Jeugd 2018. Lees er hier meer over.