Ik had ooit een boksleraar in het jeugdcentrum. Ik weet niet meer hoe hij heet. Bernard of Bastiaan of Berend. Ik was een jaar of achttien. Hij gaf les omdat mijn voorgaande leraar ermee was gestopt. Hij was klein en tenger, had een snor en was bovenop zijn hoofd glanzend kaal. Edelsmid van beroep. In de vijftig.

Ik vond hem irritant. Hij had het altijd over Cubaanse boksers, omdat die zo sierlijk vochten. Als hij mij zag boksen begon hij er weer over. Omdat ik te hard ging. Dat stoorde me, en ik dacht: Ik kan jou hebben hoor, ouwe. Ik was dan misschien niet sierlijk; ik was wel doeltreffend.

Een blakende man. Een opgewekte man. Zo’n man die een lange fietstocht maakt, op het terras precies twee trappistjes drinkt en dan naar huis gaat. Een wandelaar, een optimist, een gezonde eter.

Ik ergerde me aan zijn goedlachse beleefdheid. Altijd dat vriendelijke. Altijd die glimlach, maar ondertussen wel kritiek hebben. En dat gelul over die Cubanen steeds.

Ik miste zijn punt. Hij had het over – bij gebrek aan een adequaat Nederlands woord – grace. Niet in de betekenis van genade, maar de andere betekenis. To do something with grace. Ik hoorde hem niet. Ik was daar te boos voor, te onzeker, te jong. Ik vond hem een softie. Ik dacht: Ga lekker Nordic walken of zo, al bestond dat toen nog niet.

Hij vertelde een keer trots dat hij ‘s nachts eens een groep opgeschoten jonge gasten tegemoet moest. Hij zei: ‘Ik ging rechtop lopen en stapte niet opzij.’ Dat had gewerkt; ze hadden hem met rust gelaten. Ik had veel stoerdere verhalen gehoord. Ik miste mijn oude boksleraar. Die had een litteken op zijn gezicht en vertelde over zijn vriendin dat ze aan zijn sperma kon proeven of hij friet had gegeten.

Toen ik daar al een paar jaar niet meer trainde – ik was begin twintig – hoorde ik dat hij plots was overleden. Een hartinfarct. Tot op dat moment had ik niet meer aan hem gedacht. Ik begreep hem nu iets beter. Nog steeds niet echt. Ik dacht aan Cubaanse boksers. Aan grace. Het heeft hem niet gered en het zal mij niet redden en het zal u ook niet redden, maar het heeft wel iets. 


Zo, dit was het stukje van woensdag. En dan ga ik nu een spalkje achter mijn ondertanden laten installeren. Ik stuur mijn stukjes ook per nieuwsbrief. Deel ze gerust met anderen. Mijn roman heet Bidden en vallen.