Gisteren schreef ik een stukje over de beweerde misdragingen van Vindicat-studenten in een Gronings sushi-restaurant. Ik vergeleek hen met de varkens in Animal Farm van George Orwell, een boek dat ik momenteel herlees. Ik schreef het stukje direct na het eerste nieuwsbericht dat ik erover had gelezen. Al snel werd het veel gedeeld.

Toen werd ik door iemand verwezen naar een artikel op Nu.nl, waarin stond dat de mensen van het restaurant in kwestie ontkenden dat de studenten zich dusdanig erg hadden misdragen. Daar schrok ik van. Ik schrijf zelden over de actualiteit. Er gelden regels, normen, ethiek. Er bestaat zoiets als hoor en wederhoor. Ik had mijn stukje gebaseerd op het eerste de beste bericht dat ik had gelezen en meteen mijn mening gespuwd. Wat wist ik er nou écht van? Ik had me schuldig gemaakt aan alles wat ik haat aan het internet en aan overhaaste, gratuite opiniestukken.

Dus haalde ik het weg en lichtte mijn beslissing toe op Twitter en Facebook. ‘Dat restaurant is gewoon bang,’ reageerde iemand. ‘Ze willen geen klandizie kwijt.’ ‘Ze zijn geïntimideerd.’ Vervolgens wees iemand me op alle ooggetuigenverklaringen. ‘Waarom zouden die allemaal liegen?’

Nu was ik opnieuw in de war. Ik had een goed stukje geschreven, vond ik, en ik had er juist succes mee toen ik het weghaalde. En inderdaad: waarom zouden die getuigen liegen? Dus plaatste ik mijn stukje opníéuw, maar nu met een disclaimer erboven, dat het restaurant de beweerde feiten ontkent.

Het stukje voor de tweede keer plaatsen voelde minder lekker dan de eerste keer. Het was alsof ik een schilderij terug aan de muur had gehangen met vetvlekken en een gebarsten lijst.

Op Twitter kreeg ik spottende reacties. Dat het belachelijk was, hoe het allemaal werd overdreven, hoe ijverig iedereen erbovenop sprong. Misschien is dat waar, dacht ik. Misschien was ik als een laffe hyena die pas toehapte nadat hele hordes verontwaardigden me waren voorgegaan. En had ik niet ook gewoon naar mijn confirmation bias gehandeld? Maw: wilde ik niet de waarheid zien zoals ik dacht en hoopte dat die was?

Opnieuw haalde ik het stukje weg. Dat voelde bijna even slecht als toen ik het opnieuw plaatste. De actualiteit is een spinnenweb waar je met iedere beweging verder in verstrikt raakt.

’s Avonds ging ik bij mijn broer eten. Ik vertelde er gedwee over. Hij zei: ‘Maar kom op Henk, die gastjes zíjn toch ook gewoon zo?’ En bijna zei ik: ‘Ja, dat weet ik ook wel.’ Maar ik mompelde: ‘Dat weet je niet. Ze zijn heus niet allemaal hetzelfde.’ 


Deze stukjes gratis per mail? Klik hier. Mijn laatste boek heet Wij zeggen hier niet halfbroer.